De vakbeweging in krisis
Bij de aanvang van het najaar was door de kwasi-liberale, maar konservatieve VVD en daarmee verwante konfessionelen een nieuw thema naar voren gebracht: de grootste buitenparlementaire macht in de burgerlijk-demokratie se maatschappij zouden de vakverenigingen zijn geworden. Na de kerk, het leger, de banken, en de grote ondernemingen zouden nu de werknemers als georganiseerde groep elke regering zodanig onder druk zetten, dat deze steeds meer konsessies moest doen aan de kollektieve wil, de vrijheid te beperken van de direkties der kapitalistiese maatschappijen. Een vertoog van premier Den Uyl (die overigens slechts gewaagde van een soort korporatieve samenwerking van werkgevers en werknemers, ook waar het beleidsbeslissingen betrof) van 1 oktober zou deze tendens in de politiek mede tot uiting hebben gebracht. Nu is de vorm van medezeggenschap, die het personeel geniet door middel van stakingen, dreigingen daarmee, langzaamaan-akties, tenslotte ook bedrijfsbezettingen, geenszins een nieuw feit te noemen. En doordat de bourgeoisie toch over de produktiemiddelen beschikte waren deze akties, of de zonder directe strijd verkregen kollektieve contracten, niet bij machte de beginselen van het kapitalisme aan te tasten. Indien
nu de reeds lang bestaande strijdvormen meer verontrusting schijnen te wekken dan voorheen, zijn daarvoor waarschijnlijk twee oorzaken: de radikalisering van grote minderheden in de vakcentrales - en de angst van de bourgeoisie voor een diepe ekonomiese depressie, die deze radikalisering nog zal versterken. De "polarisatie", in dit geval de verscherping van de klassestrijd, wordt meer gevreesd dan sinds 1945 het geval is geweest.
Een reformistiese traditie
De traditie van de vakbeweging is overwegend reformisties. Hoezeer daartegen ook revolutionaire socialisten hebben gevochten, zij konden de omwenteling die ze wensten niet versnellen. Achteraf bezien zijn daarvoor allerlei verklaringen te geven. In ons land trad kort na 1870 een recessie in, die in 1893 haar dieptepunt bereikte: een depressie met grote werkloosheid en sociale beroeringen. F. Domela Nieuwenhuis werd daardoor mede naar links gedreven. Aanvankelijk sociaal-demokraat, als zodanig gekozen tot kamerlid, van 1888 tot 1891 onvermoeid in het parlement ijverend voor hervormingen (achturendag, hogere lonen, betere arbeidsverhoudingen en sociale wetten, afgezien van zijn strijd tegen het militarisme en kolonialisme) ontdekte hij de onmacht van het parlementarisme. Zijn afwijzing daarvan was een stap op weg naar het anarchisme, dat hij omstreeks 1897 geheel zou omhelzen.
Maar het jaar 1893 was ook dat van een keerpunt in de economiese konjunktuur. Er kwam meer werk, de lonen konden (zij het alleen door strijd) worden verhoogd, en de SDAP, opgericht in 1894, dus juist in het begin van een gunstiger situatie, kon zich door reformistiese aktie ontplooien, omdat deze politiek tastbare resultaten afwierp. Het NVV, dat in 1904 werd opgericht, groeide snel uit tot de krachtigste vakcentrale: radikaler dan de katholieke en calvinistiese vakbonden, die sterk werden geremd door de reactionaire invloeden van priesters en dominees, bleef zich toch binnen de bestaande orde. Dit bleek in 1914, toen overal de sociaaldemokratie patriotties en nationalities reageerde. Het NVV stond ook grotendeels buiten de revolutionaire stromingen, die zich in 1917 en 1918 in Rusland en Midden-Europa openbaarden. En toen in november 1918 Troelstra zich een ogenblik liet meeslepen door de (weldra zo teleurstellende) Duitse omwenteling, genoot hij daarbij weinig steun van de "bonzen" der vakbeweging. Deze hebben daarna de controle over de bonden van werknemers niet verloren. De katastrofale depressie van 1929 en de jaren na dertig heeft (door de overwinningen van het fascisme in Midden-Europa) eerder de konservatieve bourgeoisie versterkt dan een radikaal proletariaat. En na de oorlog vermocht het atlantiese kapitalisme, dat een groot deel van de wereld kon eksploiteren, zovele materiële verlangens van werknemers te bevredigen dat deze ophielden zich te gedragen als een traditioneel proletariaat. Die periode van "verburgelijking" is nog niet voorbij. In de Verenigde Staten heeft ze geleid tot een politiek-reactionaire ideologie van de grootste vakcentrale. In het algemeen werden de vakbonden, verenigd in het IVVV, bolwerken van het anti-kommunisme, waarbij vrees voor de Sowjet-Unie en angst voor een dratiese vorm van socialisme om de voorrang streden.
Het anarcho-syndicalisme
Nu was in Nederland in 1893 als eerste vakcentrale het NAS (Nationale Arbeids-Secretariaat) opgericht, dat later weigerde vereenzelvigd te worden met enige politieke partij, dus ook niet met de SDAP. Geleidelijk gingen in het NAS de denkbeelden overheersen, die omstreeks 1900 ook in de Spaanse federaties en in de Franse confederaties (CGT) waren aanvaard. Voorop stond het standpunt van de klassestrijd, de konfrontatie tussen arbeiders en patroons, welke strijd allereerst in de bedrijven gevoerd moest worden. Dus door "direkte aktie": staking, eventuele sabotage, beperking van de prestatie, het "nemen" van de achturendag, het zelf invoeren van bedrijfsveiligheid. De algemene werkstaking gold als uiteindelijk beslissend politiek wapen, waarmee zo mogelijk een revolutie kon worden in geluid. Het zou echter reeds hoogst bevredigend zijn, als aldus een reaktionaire regering ten val kon worden gebracht, een oorlog kon worden voorkomen, klassenwetten konden worden verhinderd. Bovendien speelde in de ideologie ook het verantwoordelijk produceren een rol; de weigering bijvoorbeeld om wapens te maken. En bij het transport de onwil, een staking te breken. Men moest de aanvoer verhinderen van onderkruipers, of van ontbrekende goederen. De solidariteitsakties vormden in het programma van de anarcho-syndicalisten een belangrijk hoofdstuk.
Ook wanneer er dus nog sprake was van een stormloop op het systeem zelf, en het slechts ging om hervormingen binnen het kapitalisme, moest de klassestrijd daartoe konsekwent worden gevoerd. Vandaar dat tijdens de eerste wereldoorlog, toen de afkeer van het militarisme en van een onrechtvaardige distributie van levensmiddelen in het "neutrale" Nederland de tegenstellingen verscherpten, het NAS sterk groeide, tot vijftig duizend leden. Dat aantal daalde echter omstreeks 1923 tot twintig duizend, verdeeld over twee organisaties na een betreurenswaardige splitsing. De anarcho-syndikalistiese fraktie scheidde zich af, toen een meerderheid het marxisme bleek te hebben aanvaard. Dit was gebeurd onder invloed van de Russiese revolutie en de daarin zegevierende bolsjewiki. De marxistiese vleugel zette dus het NAS voort (onder Henk Sneevliet) de syndikalisten het NSV (onder Lansink Jr.).
Nu kon echter ook het Nederlandse syndikalisme niet ontkomen aan de invloed van het zich sterk ontwikkelde reformisme. Een oorzaak daarvan was het moeten aanvaarden van staatsuitkeringen voor zieken, werklozen, bejaarden enz. door een systeem van verzekeringen, waarbij ook de vakbonden werden betrokken. (Bijvoorbeeld bij de uitkering van werklo
zensteun). Sociale wetten konden niet worden afgewezen. Een ernstige zwakheid was natuurlijk ook het bestaan van verschillende uiteenlopende vakbonden in één enkel bedrijf, zodat deze vakbonden zich niet konden ontplooien als bedrijfsorganisaties. Nu wordt het ideaal, om in zulke bedrijfsbonden het hele personeel op te nemen, uitgedrukt door het OVB (Onafhankelijk Verbond van Bedrijfsorganisaties) maar het heeft intussen ook veld gewonnen in de traditionele vakbonden. Er bestaat een veel groter belangstelling voor de bezetting van de bedrijven, sinds 1918 gepropageerd door sociaal-anarchisten en raden-kommunisten. De raden van arbeiders, boeren en soldaten, ontstaan in 1917 in Rusland, en later verworden tot organen van de bolsjewistiese partij, hebben voor de idee van bedrijfsraden inspirerend gewerkt. De organisatie in vakgroepen verijdelde in NAS en NSV echter het mobiliseren van de arbeidersklasse als geheel in een onderneming.
Lange tijd hebben vele anarcho-socialisten en radenkommunisten (tot 1933!) nog gehoopt op een derde en grondige Europese sociale revolutie, na die van Rusland en van Duitsland. Zij zagen terecht in de vakbonden geen geschikte organen voor zulk een omwenteling. Dit nam niet weg dat de essentiële teorie van het anarcho-syndikalisme niet gebonden was aan zulke vakorganisaties. Maar de Tweede Wereldoorlog maakte aan NAS en NSV een einde. En afgezien van het feit dat in het OVB (met slechts twaalf duizend leden) veel van de genoemde principes voortleven, en de bedrijfsbezetting van 1968 in Frankrijk oude teorieën weer op de voorgrond brachten, hebben de reformistiese vakbonden het terrein veroverd, waarop de directe confrontatie van werkgevers en werknemers kan plaats vinden. Maar dit was in overeenstemming met de positie der overheersende reformistiese arbeidersbeweging van de atlantiese wereld. Van deze werkelijkheid zal men moeten uitgaan, niet van een afwezige revolutionaire situatie, als men zich afvraagt wat de vakorganisaties nu, ondanks alles, zouden kunnen doen voor de idee van het socialisme.
Het bedrijf behoort aan de arbeiders
Er is de laatste jaren, vooral in het NVV, een tendens merkbaar om openlijk het socialisme als einddoel te aanvaarden. Dit was voorheen geenszins het geval. De vakbond legde de nadruk op de behartiging van belangen van de leden, en op een (burgerlijke) demokratie, die zulk een behartiging mogelijk zou maken: die dus geen stakingsverbod of beperking van de mogelijkheden tot organisatie zou kennen. Als er intussen een kentering valt te bespeuren — zij het waarschijnlijk bij een minderheid — dan is dit niet te wijten aan krises, die nog komen moeten. Maar de schaduwzijden van "free enterprise", van het liberale kapitalisme dat de vrijheid gebruikt om multinationale en feitelijk feodale monstermachten te vormen, is duidelijk gebleken. De ongrijpbare eigenaren van een onderneming kunnen die sluiten, omdat de wijdvertakte andere filialen wel aan de behoefte (aan winstgevende producten) kunnen voldoen. Er is geen Nederlandse bourgeoisie meer, die men uit patriottisme zou moeten ontzien, of die uit nationale solidariteit geacht zou worden, bepaalde konsessies te doen aan landgenoten. Het willekeurig opheffen van ondernemingen, en het duistere scheppen van andere bedrijven ontsnapt aan elke controle. Het protest daartegen is nu duidelijker gemotiveerd: "Dit bedrijf is niet van jullie, maar van ons!" De feitelijk symbolise bezettingen in Breda en Helmond, en die in het buitenland (het Franse Lip, maar daarvoor de uitgebreide beslagleggingen van 1968) hebben deze tendens geïllustreerd.
Ze komt nog het best tot uiting bij de Industriebond van het NVV. Toen deze in oktober 1971 werd opgericht als concentratie van een aantal bonden, werden de statuten van het NVV te vaag gevonden en "te weinig antikapitalisties". Geëist werd daarin slechts een demokratie, waarin de vrijheid van onderhandelen zou zijn gewaarborgd, om de belangen van de werknemers te behartigen. Inderdaad een bescheiden wens. Er kwam toen een motie aan de orde van de afdeling Stiens, waarin "het recht van de werknemer op zeggenschap" en "zijn plicht tot het dragen van medeverantwoordelijkheid" werden onderstreept. "De bond - zo luidde het voorstel - acht hiertoe een planmatige ordening van het gehele bedrijfsleven onmisbaar. Indien het belang van de werknemer dit eist, dient de beschikkingsmacht, alsmede het eigendom der productiemiddelen in handen der gemeenschap te worden gelegd". Dit voorstel werd niet aanvaard, om afwijking van de NVV-statuten te voorkomen. Maar wel werd aan het bestuur opgedragen "om binnen het NVV een gesprek te beginnen over eventuele wijziging van de grondslag, richtsnoer en doelstellingen, in de geest van wat in het amendement-Stiens was gesteld".
Waarschijnlijk is voor deze evolutie nog een andere dan genoemde factor van betekenis geweest: de contacten met Joegoslavië, de bestudering van het zelfbestuur van gesocialiseerde ondernemingen. De term zelfbestuur begon ingang te vinden. In het programma van Gotha van 1875 werd daaronder de mogelijkheid verstaan, dat arbeiders zelf ondernemingen zouden beheren. En daarbij werd de bekende formule uit de Eerste Internationale (onder de invloed van aanhangers van Proudhon en Bakoenin) gebezigd, dat de werkers verenigd zouden moeten zijn in "vrije en gelijke associaties". Men weet dat in de Nederlandse vrij-socialistiese kringen zogenaamde "produktieve associaties" zijn gesticht van kleine omvang, die binnen het kapitalisme socialistiese sectoren wilden zijn. Dit is mislukt omdat deze bedrijven zich niet aan het kapitalistiese milieu konden onttrekken, al zijn er een aantal succesrijk geweest voor het scheppen van betere onderlinge verhoudingen tussen de werkers. Maar als men nu weer gaat denken aan zelfbeheer dan is het logies, dat dit zou moeten worden verwezenlijkt binnen een socialistiese maatschappij.
Ten derde was daar het geschil over de verdeling van het inkomen. In de klassieke burgerlijke demokratie wordt aan de bourgeoisie de vrijheid gelaten, een nationaal inkomen te kweken op basis van de geaccumuleerde eigendom, van sociaal bezit tot privé-bezit geworden. De verdeling van dit nationale inkomen kon wel door actie van vakbonden en sociale wetten worden beïnvloed, maar berustte tenslotte bij degenen die het kapitaal in handen hadden. Het verzet daartegen, de pogingen tot nivellering van de lonen en salarissen, tot het voorkomen van luxe en verspilling ten gunste van een kleine minderheid, dit verzet moest wel de structuur van de samenleving centraal stellen.
Afgezien van de afkeer van de internationale oligarchie; het Joegoslaviese zelfbeheer; de wens tot nivellering der lonen, werkte nog een vierde factor in meer socialistiese richting. De wettelijke bedrijfsorganisaties zijn instrumenten gebleken van de directie, ten bate van het winstmaken van het bedrijf. In feite vertegenwoordigen zij een korporatieve gedachte, die van verzoening tussen patroons en arbeiders op basis van de privé-eigendom. Overigens een "nieuwe orde" waarmeer het fascisme graag schermde om de arbeiders aan de lijn te houden. Daartegenover kwam de idee op om van deze bedrijfsorganisatie een personeelsraad te maken, openhartig gezegd een klasseapparaat. In een brochure van de Industriebond Gedachten over de maatschappij van morgen (sept. 1973) leest men dien-aangaande: "Onze bedrijfsleden-groepen zullen moeten trachten, door het optreden van hun kaderleden de personeelsvertegenwoordiging zodanig van karakter te laten veranderen, dat ze niet langer gebruikt kan worden als harmonie symbool." Zo'n personeelsraad zou dan "de groei van het machtsbewustzijn en het maatschappelijk inzicht" moeten bevorderen.
Een inspirerende maatschappij-visie
Er is in de genoemde brochure (die gevolgd wordt door nieuwe publicaties en door een konferentie over de "ideologie") een duidelijke verooordeling van de kapitalistiese structuur. We citeren: "De beheerders van de grote bedrijven bepalen grotendeels de toekomst van de samenleving en hebben meer macht dan de gekozen volksvertegenwoordiging" ... "De werknemers in de bedrijven hebben niets te zeggen over de doelstelling van hun werk, de verdeling van hun arbeidsresultaat, maar evenmin over de manier van werken of over de keuze van de leiding" ... "Vormen van zogenaamde medezeggenschap veranderen niets fundamenteels aan de gang van zaken, omdat de winst het alles zaligmakende doel blijft". Daartegenover wordt gepleit voor een "inspirerende maatschappij-visie, een toekomstbeeld van waaruit wij werken en dat het geloof wekt dat het anders kan en daarom anders moet. "En tenslotte: Onze bond streeft naar een samenleving, waarin de zeggenschap van de gemeenschap over zijn eigen productie-apparaat, en van de werknemers over de bijdrage van hun eigen bedrijf aan de samenleving, zo goed mogelijk tot gelding kan komen". Dit is nu een socialistiese formule.
Nu is het duidelijk dat het bolsjewistiese communisme (zoals men het ten onrechte noemt) weinig aantrekkelijk is. Het heeft inderdaad de grondslagen gelegd voor een Welfare State (verzorgingsstaat) zonder privé-eigendom van de productiemiddelen. Maar de autoritaire partijstaat, de burokratie, de technokratie, het gebrek aan persoonlijke vrijheden werpt vele schaduwen over het leven der volken in zulke systemen. Histories bezien zijn ze in Rusland en China, Cuba en Vietnam, veelal ook in Oost-Europa, een stap vooruit uit semi-feodale, oligarchiese, militaristiese verhoudingen, met weinig sociale verantwoordelijkheid. Maar de historiese achtergronden in West-Europa zijn nu eenmaal andere, en men kan zich ook moeilijk voorstellen dat hier een vorm van socialisme identiek zou zijn aan het Oosteuropese model. In het vrijheidlievende socialisme van Proudhon, Bakoenin, Kropotkin, Domela Nieuwenhuis vinden voorstanders van zelfbeheer, rechten van minderheden, federalisatie, eigen verantwoordelijkheid binnen een stelsel van wederkerig hulpbetoon enz. vele elementen, gedachten, idealen, die de moeite waard zijn voor het leven in het algemeen. Het oorspronkelijke syndikalisme nu heeft zijn beste doeltreffenheid en waarde getoond in Spanje, juist ten tijde van de burgeroorlog, toen gebondenheid aan de gemeenschappelijke strijd even nodig was als de verdediging van een zo groot mogelijke vrijheid. Dit syndicalisme is, wat de toekomstvisie aangaat, geïnspireerd door het anarcho-syndicalisme.
Men moet aanvaarden dat de reformistiese aktie voor zo goed mogelijke arbeidsverhoudingen en leefgewoonten binnen de kapitalistiese maatschappij voortgaat. Dat daarbij de staatsdiensten voor sociale verzekeringen en uitkeringen (wel te onderscheiden de militaire, autoritaire en juridiese funkties) de staat dus, die inkomen verzamelt en weer distribueert, onmisbaar is, totdat een geheel nieuwe ordening mogelijk zou zijn. Daarin zouden dan ook de organisaties van het onderwijs, waterstaat, PTT en dergelijke diensten een andere plaats en functie vinden. Er is echter geen revolutionaire situatie aanwezig, en de vraag is allereerst, wat er binnen deze verhoudingen gedaan zou kunnen worden om de weg aan te wijzen naar een vrijheidlievend socialisme. Histories is trouwens aangetoond dat een revolutie geen sprong is van de ene wereld in een reeds voorhandene andere wereld, maar - na de omwenteling van de machtsverhoudingen - een evolutie, waardoor een nieuwe samenleving uit de oude kan voortkomen.
De weg uit het kapitalisme
In de genoemde beschouwingen nu zijn reeds enige wegen naar een socialistiese samenleving aangeduid: de vorming van personeelsraden: zeggenschap over beheer en inrichting van een bedrijf, zonder dat zulk een "participatie" de vorm krijgt van collaboratie met de bezitters; invloed op de verdeling van het inkomen uit de onderneming, dus ook op het besteden van winsten; controle op hetgeen er wordt geproduceerd. Op conferenties van de laatste tijd zijn nu nog enige andere suggesties gedaan. Als de werknemers uitgaan van de stelling, dat het bedrijf toebehoort aan de gemeenschap, vertegenwoordigd door het personeel, moeten de personeelsraden federatief en internationaal (het eerst in de "multinationals") verenigd zijn, om akties te coördineren en solidariteit in de praktijk te brengen. Nog meer: de winsten behoren toe aan de gemeenschap, en moeten eveneens onder controle komen van de personeelsraad. Voorzover ze weer in de onderneming worden geïnvesteerd zijn zij een "sociaal fonds". Bij verkoop (of fusering) van een bedrijf behoort het personeel op te treden als eerste eiser, desnoods door middel van een bezetting, als het gaat om de bestemming van de koopsom. Thans gaan deze miljoenen naar de aandeelhouders, en worden er directeuren mee afgekocht. Maar zij hebben de onderneming niet wezenlijk opgebouwd, wel de werknemers, onder wie natuurlijk ook de technici en administraties gerekend moeten worden. Er zijn enige schaarse gevallen geweest, dat bij verkoop van een bedrijf ook het personeel een deel van de koopsom kreeg, maar dan op zeer bescheiden schaal. En hoewel deze procedure nog niets verandert aan het maatschappelijke bestel, kan ze wel een gevolg zijn van gewijzigde machtsverhoudingen, en oorzaak van grondiger veranderingen in de toekomst.
Aan het einde van zulk een denkbaar proces staat natuurlijk de socialisatie. Zolang de staat nog min of meer traditionaal overeind blijft, valt deze socialisatie samen met nationalisatie. Dan echter behoort er te worden geijverd voor een federale structuur van deze staat, een zo groot mogelijke autonomie van provincies en gemeenten, van ondernemingen en bedrijven, dus voor zelfbeheer. Waarbij dan het belang van de konsumenten even zwaar behoort te wegen als dat van de producenten. Terloops gezegd zal de uitbreiding van gratis diensten en kollektieve voorzieningen (gemeenschappelijk betaald) zowel de vrijheid als de bestaanszekerheid vergroten. (Wat een "toekomstvisie" aangaat verwijs ik naar mijn boek van 1938, herdrukt door Pamflet, getiteld Grondslagen van het anarchisme. Misschien een utopie, maar wel een mogelijk ideaal en een leidraad voor de grondbeginselen van het handelen!
Er is natuurlijk een groot gevaar voorhanden, en daaraan is in Chili Allende te gronde gegaan: het gevaar dat de kontra-revolutie ingrijpt, voordat de evolutie naar een vorm van socialisme op gang is gekomen. Het fascisme loert overal, in elke burgerlijke demokratie, en zal zeker trachten de klok terug te zetten als het systeem gevaar loopt. Niet de demokratie-instellingen of het parlement kunnen dat gevaar keren, veel eerder de arbeiders die over de transportmiddelen beschikken en overgaan tot bezetting van de bedrijven. Het is moeilijk om van te voren de idee te verwerkelijken (die in Spanje door de anarcho-syndicalisten is toegepast) om door een militie, de bewapening van de arbeiders, hun economies-politieke macht te verdedigen. In ons land zijn de voorwaarden daarvoor thans niet aanwezig. Wel is het doenlijk een zo nauw mogelijke samenwerking te organiseren tussen de vakbond van dienstplichtige militairen en de andere vakverenigingen, om samen een fascistiese staatsgreep te verijdelen of ongedaan te maken. Men denke over dit probleem niet te licht: het fascisme is dichter bij ons dan men meent.
De komende krisis
Het is denkbaar dat deze beschouwing over de mogelijkheid van de verwezenlijking van een vrijheidlievendsocialisme (met een lange fase van evolutie in staat en maatschappij) de indruk wekt van een illusie. Zou het fascisme zegevieren, dan is er misschien geen andere weg dan die van het revolutionaire geweld, om het weer af te schudden ... tenzij Portugal en Griekenland op de duur andere mogelijkheden kunnen tonen. Maar blijft het fascisme uit: zijn er dan wel genoeg impulsen en inspiraties, is er wel een noodzaak, om een weg naar het socialisme te kiezen? Is de verburgelijking niet veel te ver
voortgeschreden, om het kapitalisme in gevaar te brengen? Toch berust een socialistiese overpeinzing niet op donquichotterie. We zijn uitgegaan van de realiteit, dat er geen revolutionaire situatie aanwezig is. Maar ook van de overweging dat de bestaande verhoudingen groeiende onrust wekken, gebrek aan vertrouwen in de toekomst. En dat dus een ander toekomstbeeld inspirerend kan werken. De machtsvorming van de werkers is aan de orde gesteld in de vakbonden; wij mogen ons steentje bijdragen aan de problematiek daarvan, maar ook aan de beeldvorming van een andere maatschappij. Wij zijn overtuigd dat allerlei elementen daarvan bruikbaar zijn als leidraad voor overdenkingen en besluiten van arbeiders in de bedrijven.
En wat de noodzaak aangaat om aandacht te schenken aan de mogelijkheid van een socialistiese samenleving: de komende krises zullen de huidige maatschappij zodanig schokken, dat emn zich wel op dit probleem moet bezinnen. We denken nu maar niet aan een oorlog met kernwapens: niemand is in staat te overwegen, wat er daarna te doen zou zijn. Maar zeer werkelijk zijn "kleinere" oorlogen (met de verschrikkingen van Vietnam) om de grondstoffen, zoals de petroleum. Komt dan de Derde Wereld meer in beweging dan thans al het geval is, ontstaan er meer haarden van revolutie in de verpauperde landen, die de achterbuurten zijn van het welvarende Westen, dan wordt de kapitalistiese structuur ernstig aangetast. Het verlies van grondstoffenbronnen, afzetgebieden en kapitalen zal in elk land voelbaar worden. Want de vraag rijst dan wie deze verliezen zullen betalen, of wie de oorlogen zullen bekostigen om het atlantiese imperialisme op de been te houden.
Ten tweede (en gedeeltelijk los daarvan) staat de ekonomiese depressie, de krisis die sinds 1971 voortvreet en die haar dieptepunt nog geenszins heeft bereikt, Zoals in 1929 zal deze depressie zich hier later manifesteren dan in de Verenigde Staten. Maar de faillissementen, de opheffingen van bedrijven, de werkloosheid, en alle andere verschijnselen van zo'n dalende konjunktuur stellen nog dringender het probleem, wie de kosten daarvan zullen betalen. Ook als dan nu nog niet algemeen het besef doordringt dat deze vorm van civilisatie onhoudbaar begint te worden - ook als de radikale aantasting van de privé-eigendom van productiemiddelen nog niet volgt - ook als het systeem nog niet direct verantwoordelijk wordt gesteld voor alle maatschappelijke wanorde - dan zal er toch een zodanige verscherping ontstaan in de verhouding tussen werknemers en werkgevers, dat de vakbonden daardoor niet onberoerd blijven. Ze zullen nog meer dan thans reeds het geval is aandacht moeten schenken aan het falen van de sociale structuur en aan de noodzakelijke overgang van deze naar een andere samenleving, van een kapitalistiese naar een socialistiese maatschappij, aandacht aan de economiese machtsvorming als basis van de politieke strijd. En op die weg zullen zij niet weinige grondgedachten ontmoeten van het anarcho-syndicalisme.
