Lib. Soc. Press Logo

Het vraagstuk van de macht: een anarchistisch dilemma

Het vraagstuk van de macht: een anarchistisch dilemma1

"Het anarchisme is een revolutionaire theorie, die niet door een revolutie kan worden verwerkelijkt". Dit aforisme kwam naar voren uit een aantal colleges en discussies over de verovering van de macht in burgeroorlogen en guerillas. Het probleem van de macht ligt in de libertaire theorieën zeer moeilijk. Of het nu gaat om de arbeidersklasse (te vinden in de bedrijven bijv.) om het volk in een bevrijdingsoorlog, of om "focos" (vuurhaarden) van "voorhoedes", zodra machtvorming en geweld daarbij betrokken zijn rijst het gevaar, dat deze gemonopoliseerd worden en blijven als vormen van gezag. Ook voor de marxisten trouwens, die hopeloos verdeeld zijn in rechtse en linkse, nationalistische en internationale frakties, is het probleem oorzaak van felle geschillen.

Het is waar dat anarchistische idealen allereerst de levens- en wereldbeschouwing betreffen omtrent verhoudingen tussen mensen, die elkaar niet zouden willen uitbuiten of regeren, en die een basis zoeken van samenleven in kameraadschap, gelijkwaardigheid en zo groot mogelijke persoonlijke vrijheid. Alle verhoudingen kunnen worden gerechtvaardigd als ze berusten op vrijwilligheid, wederkerigheid en gevoel van sociale verantwoordelijkheid. In een gezin, een vereniging, een wijk, een gemeente, een schoolgemeenschap, zelfs in een bedrijf kan men pogen de onderlinge betrekkingen te regelen naar zulke maatstaven, die idealen blijven en dus nooit volkomen kunnen worden verwezenlijkt, maar wel als normen kunnen gelden. Er zijn allerlei belemmeringen door de gezagsverhoudingen: een kind heeft zijn ouders niet uitgezocht; een burger zijn nationaliteit niet; een werknemer maar in beperkte mate zijn betrekking; vrijwel niemand zijn godsdienst. Maar door een gezamenlijke inspanning, dus door de wil, kan onderlinge bevrijding in redelijke samenwerking worden bevorderd. Het anarchisme is als filosofie en ethiek een emanciperende factor, verondersteld in de opvoeding van het kind tot volwassenheid; in de groei van de vrouw tot zelfstandigheid; in rebellie van de staatsburger, die rekenschap vraagt van het optreden van gezaghebbers; in het zelfbewustzijn van de arbeider; in de solidariteit van onderdrukten op allerlei terreinen.

In die zin kan anarcho-socialisme een zuurdesem zijn in de kulturele en sociale organisaties van een kapitalistische of staats-socialistische maatschappij, in een demokratie en een diktatuur, in een industriële en een gekoloniseerde maatschappij. Natuurlijk zal het dan oppositioneel zijn, in aanleg buitenparlementair, antimilitaristisch, maar niet destruktief of negatief. Integendeel is het sociaal-ethisch opbouwend, organisatorisch vrijheidlievend, en ook daar waar zijn naam niet wordt vermeld een gestadig stuwende kracht, die zich al sinds lange tijd manifesteert in het gezin, de school, de gemeente, het bedrijf. Maar het is ook duidelijk dat deze ontplooiing zich niet verstaat met geweld, tenzij dit onvermijdelijk is ter afwenteling van gezag. En een revolutie, die de centrale staat van zijn gezag berooft; die de macht verplaatst naar een federatie van autonome kommunes en naar bedrijven onder zelfbeheer; die het staande leger opheft en vervangt door een revolutionaire militie ... zulk een revolutie heeft altijd kunnen rekenen op de aktieve anarcho-socialisten: in Rusland in 1917; in Beieren in 1919, in Spanje, tijdens de burgeroorlog, in 1936. En met name in de minder spektakulaire, maar ontelbare politieke stakingen, vormen van dienstweigering, opstanden tegen tirannie.

Maar wel blijft het feit, dat libertaire idealen niet zijn op te leggen, niet zijn af te dwingen door gezag of wapens; dat ze het best gedijen door het voorkomen en verijdelen van geweld. En dat anarchisten in een gewelddadige revolutie altijd in een tweeslachtige positie hebben verkeerd, met zichzelf - en vaak met elkaar - in strijd zijn geraakt. Men kan daar niets aan veranderen, het konflikt is onvermijdelijk, de innerlijke tegenstelling moet bewust verdiskonteerd worden. Het anarchisme heeft de revolutie (als en waar ze tenminste komt) bewust voorbereid. Zodra deze uitbarst plaatst ze anarchisten echter in een moeilijke positie, ook nadat ze heeft gezegevierd.

De oorzaak van het dilemma is gekompliceerd, maar minstens tweevoudig. Ten eerste is ook de nieuwe gemeenschap, met of zonder klassieke staat, een gedwongen vereniging. Geen mens kan er buiten treden, en er zijn grenzen aan ieders vrijheid, die moet berusten op gelijkgerechtigheid en respect voor een anders vrijheid. In theorie zou elke groep zich eindeloos kunnen afscheiden, en op grond van zelfbeheer en autonomie der kommune telkens een eigen kleine gemeenschap kunnen vormen. In de praktijk is dit onmogelijk, vooral als men te doen heeft met de grote steden, industrieën en wijdvertakte transportbedrijven. Zelftucht, aanpassing, kompromis in het sociale gedrag zijn een noodwendig komplement voor vrijheid in denken en spreken. Alle anarcho-socialisten (allereerst toch socialisten!) hebben in de idee van het federalisme de gebondenheid onderstreept. Een vrijheidlievend socialisme is maar "gezagloos" bij wijze van spreken, het woord "anarchisme" dient ter aanduiding van het volmaakte ideaal, dat waarschijnlijk altijd utopie zal blijven. In de pogingen het te verwezelijken staat het dicht bij een echte socialistische demokratie, met gemeenschappelijke eigendom der productiemiddelen, beheerd door autonome bedrijfsraden volgens kollektieve regelen, en een zo groot mogelijke vrijheid voor de samenstellende delen. Vooral op terreinen als die van de inrichting van het sexuele leven, zeden en gewoonten, kunst en kultuur kan die vrijheid zeer groot zijn. Maar als het gaat om onvermijdelijke regelen inzake het totale verband, waarvan men deel uitmaakt, met name waar het productie, distributie en transport aangaat, beslist de meerderheid, met eerbiediging van een zo groot mogelijke vrijheid der vele minderheden. Maar beslissingen moeten worden uitgevoerd.

Wat dus, als anarchisten door aktieve medewerking aan een omwenteling, die er in slaagt de vrijheden te vermeerderen, worden gekozen als vertegenwoordigers, mandatarissen, bestuurders in de nieuwe organen? Dat is gebeurd in de Russische sowjets, in de Catalaanse organen van zelfbestuur en kollektivisatie. In beginsel waren de raden "wetgevend, uitvoerend en rechterlijk" tegelijk, zonder de burgerlijke driedeling der machten. Een staatloos socialisme zou de verwezelijking zijn van de volkssoevereiniteit, de volksmacht, met erkenning van het pluriforme karakter daarvan. Normaal is de veronderstelling dat anarchisten worden gekozen en benoemd om besluiten door te voeren waarvan ze voorstanders waren en die door een meerderheid zijn aanvaard. Ook in een vorm van socialisme, dat vrijheidlievend mag heten, behoren beslissingen te worden doorgezet, als ze van vitale betekenis zijn. Men denke aan een stad met een miljoen inwoners, die vervoerd, gevoed, gekleed, gehuisvest, ontspannen moeten worden, en in staat gesteld te werken. En dan stelle men zich de ontwrichting voor in een revolutie! Geen tijd voor romantiek, ook al blijft vrijheid van meningsuiting ongeschonden.

Daar komt echter bij, dat het bevrijdende karakter van een revolutie slechts één - en laat men hopen het meest positieve - aspect is. Naar de andere kant moet er iets worden onderdrukt, namelijk de kontrarevolutie, de rebellie van de reactie. Men kan niet ontkennen, dat deze zijde van haar wezen autoritair is: de revolutie, die het karakter heeft van een burgeroorlog, is een autoritair proces. Er is niet alleen een militie, er zijn niet alleen revolutionaire rechtbanken, er is een aparte dienst met gevangenissen of verbanningsoorden, afgezien van gevallen van terechtstellingen van fascisten, oorlogsmisdadigers enz. Er ontstaan onvermijdelijk organen, die onverenigbaar zijn met een staatloos socialisme, gezagsvormen die voorlopig het verleden bestendigen. De Russische en Spaanse anarchisten die hebben deelgenomen aan de gewapende strijd hebben ze gekend, gebruikt of geëerbiedigd, ter verdediging der revolutie. Ze hebben daarna de ervaring opgedaan - in voor hen uiterst ongunstige omstandigheden - dat die instituten tegen hen zelf werden aangewend, toen de macht veroverd werd door autoritaire partijen. Met andere woorden: de macht van de basis was te gering, om een herleving van zulk een "gezag van boven af" te voorkomen, om de autoritaire instituten uit de revolutie (of uit een verder verleden) te likwideren. Het tweeslachtig karakter van de revolutie kan zich derhalve wreken op anarchisten, die de omwenteling hebben bevorderd. Dat is het enorme dilemma, waaraan men niet ontkomt. Het enige verweer tegen de mogelijkheid van repressie van vrijheidlievende revolutionairen is hun eigen machtsvorming van onder op, van de basis af, en de erkenning dat alle politiek, ook de verdediging der vrijheid, een kwestie is van machtsverhoudingen. Toen in 1870 Bakoenin in Lyon de beginselen uitstippelde van de Commune, die als gewapende kern van de revolutie de staat moest vervangen door een federatie van gemeenschappen, aanvaardde hij dat ook die Commune zelf "voorlopig autoritair" zou zijn. Deze innerlijke tegenstrijdigheid (een echt stuk "dialektiek"!) bewijst dat bepaalde problemen niet lijnrecht oplosbaar zijn. Elke guerrillagroep, elke bedrijfsraad die een onderneming bezet en beheert, elke militie is "voorlopig autoritair". Hoe machtiger de basis is, hoe meer ze kan voorkomen dat een politieke partij de klassieke staatsmacht kan herstellen. In een toekomstige omwenteling kunnen anarchisten zo'n strijd winnen, of ze kunnen hem verliezen, maar ze kunnen er zich niet van onthouden, hem te voeren.

Want dit is het obsederende karakter van het onvermijdelijke dilemma: men kan niet weigeren een revolutie te dienen, die men zelf heeft helpen verwekken, ook al leidt ze nog weer tot een nieuw staatsverband.

Er schijnen drie uitwijkmogelijkheden. Ten eerste: in het nieuwe verband konstruktief meewerken om de vrijheden zo veel mogelijk te vergroten; maar dan moet er een stuk macht gebleven zijn van libertairern. Ten tweede zou men bij voorbaat kunnen weigeren iets bij te dragen tot de revolutie, en zich beperken tot verandering van levens- en wereldbeschouwing, ethiek en filosofie, van verhoudingen in het gezin, de school, de bedrijven, kunst en kultuur, kortom tot een soort reformistisch anarchisme. Op het ogenblik dwingen de politieke verhoudingen daartoe, er is geen grondslag voor revolutionaire aktie in het Westen. Maar men moet minstens zijn houding bepalen tot revoluties in de Derde Wereld. Moet men die verloochenen omdat ze autoritaire aspecten hebben? Zou men zich keren tegen omwentelingen zoals die in Cuba en Angola, dan zou men praktisch zeer wel bij de rechterzijde kunnen belanden. Solidariteit met volken van de Derde Wereld betekent dat men in feite revolutionair denkt over deze kapitalistische maatschappij. Men kan voornamelijk werken aan hervorming van zeden en gewoonten, maar nooit instemmen met de grondslagen van deze samenleving. Daarmee vervalt ook een andere denkbare keuze, namelijk die van de geweldloosheid als norm voor aanvaarding van eventuele bijstand aan het verzet. Natuurlijk behoort niemand (en kan ook wel niemand) worden gedwongen tot het plegen van geweld ten bate van een revolutie. Maar er zijn zeer vele andere mogelijkheden om zo'n omwenteling te bevorderen. Dit bij voorbaat te weigeren zou iemand doen belanden bij de categorie van kontrarevolutionairen. De anarcho-socialist kan dus niet "neutraal" zijn, omdat zo'n neutraliteit niet bestaat - en bijvoorbeeld ook niet in Rusland of Spanje bestond.

De anarchist zal dus - en zo heeft de ervaring geleerd - zelfs deelnemen aan revoluties, die mogelijkkerwijze niet leiden tot het doel dat hij zich heeft gesteld, maar die hij wel heeft bevorderd. Met de bedoeling, de macht te vergroten van de arbeiders in de bedrijven, van de burgers in de gemeenten, van de leden van een organisatie tegenover bonzen en mandarijnen. Niettemin blijft wel het aforisme dat het anarchisme niet wordt verwerkelijkt door een (eventueel gewelddadige) revolutie. Deze kan, in samenwerking met andere, bijvoorbeeld demokratisch gezinde rebellen, de voorwaarden voor bevrijding wel vermeerderen. Maar de opbouw van een libertaire samenleving behoort te geschieden in betrekkelijk normale omstandigheden, zonder geweld, door een krachtige evolutie in alle geledingen van de samenleving. De wetenschap dat kapitalistische en militaire kasten in de regel niet geweldloos en passief hun macht en gezag afstaan, steunt de mening dat de evolutie onmachtig zal zijn om gezag en eigendom legaal en geweldloos te likwideren. Maar na een revolutie, als deze eens slaagt, kan pas de geleidelijke opbouw beginnen van een libertaire socialistische samenleving. In een zo groot mogelijke vrijheid. Dat bepleitte overigens Rosa Luxemburg ook ten aanzien van de maatschappij, die zij wenste, toen zij de partijdiktatuur afwees om vrijheid voor de arbeidersklasse te eisen na haar overwinning in een revolutie. En men kan van harte deze woorden onderschrijven: "Het socialisme laat zich niet bij oekase invoeren. Het heeft een reeks machtsmaatregelen tot voorwaarde. Het negatieve kan men dekreteren, het positieve echter niet. De opbouw is onbekend gebied, met duizend problemen. Slechts ervaring is in staat te verbeteren en nieuwe wegen in te slaan. Slechts onbelemmerd schuimend leven vult duizend nieuwe vormen en improvisaties, heeft scheppende kracht, korrigeert alle fouten".

Anton Constandse