RECHT EN STRAF
Nadat in het voorgaande een schets is gegeven van de maatschappelijk-filosofiese opvattingen van Clara Meijer-Wichmann, is het goed te bekijken wat die te betekenen hebben voor haar opvatting over recht en straf. Immers, niet mag worden vergeten dat zij, mede als juriste, ook over die onderwerpen een uitgesproken mening had. En het valt op dat zij met betrekking tot recht en straf haar zin voor histories besef volledig uitdiept. Daarbij gaat het haar niet om geschiedenis zonder meer.
'Wanneer we zoeken naar de wortels van tegenwoordige maatschappelijke stromingen in het verleden, dan onderzoeken we dit verleden niet op zichzelf, maar de verhouding van ons tijdvak, van onze strafbegrippen, tot vorige', aldus is de mening van Clara Meijer-Wichmann samen te vatten1. De rechts- en strafrechtsopvatting van Clara Meijer-Wichmann wordt hierna in dit licht geplaatst, en wel zodanig dat bijvoorbeeld de in 1971 opgerichte Coornhert Liga in zeker opzicht begrepen kan worden als een vervolg op het mede door Clara Meijer-Wichmann in 1919 opgerichte Comité van actie tegen de bestaande opvattingen omtrent Misdaad en Straf. Daarbij gaat het ons er niet om te betogen dat er niets nieuws onder de zon is wanneer er bijvoorbeeld op wordt gewezen dat in 1976 de aksiegroep 'Rechten voor al wat leeft' wordt opgericht, terwijl Clara Meijer-Wichmann reeds in 1920 schreef over De rechtspositie der huisdieren2. Wat frappeert is dat zulke onderwerpen, toen aangekaart, nu nog actueel blijken te zijn. Het benadrukt dat in het ene deel van het maatschappelijk leven mogelijkkerwijs sprake is van een stormachtige ontwikkeling, terwijl in een ander deel de suggestie van stilstand wordt gewekt. Zo streden in de tijd van Clara Meijer-Wichmann strafrechtstheorieën om voorrang waarbij de ene theorie de nadruk op het individu, de andere theorie de nadruk op de maatschappij legde. Dat Clara Meijer-Wichmann in de lijn van de laatste theorie werkte en zij de eerst genoemde theorie bestreed ligt voor de hand. Vervolgens kan het ons niet verwonderen wanneer in onze tijd deze discussie weer oplaait, nu de pas in Leiden benoemde hoogleraar in de kriminologie, prof. dr. W. Buikhuisen, op nieuw naar eventuele biologiese — en dus individuele — drijfveren van krimineel gedrag wil gaan zoeken3. Wanneer in het vervolg van deze paragraaf daarom een nadruk op het maatschappelijk-bepaald-zijn, het determinisme, komt te liggen, moet dit niet als in tegenstelling met de voorgaande paragraaf van deze inleiding worden gezien. Daarin is vooral aandacht besteed aan de zelfontplooing van de mens en hoe Clara Meijer-Wichmann dit zelf zag. In het denken over strafrecht wordt de blikrichting door de toen heersende discussie – en dus mede door anderen – gedikteerd. En die ging ondermeer over de vraag of mensen door hun maatschappelijke omgeving al dan niet werden bepaald (gedetermineerd). Dat dit voor haar niet het laatste woord was, blijkt uit haar volgende uitspraak: 'Maar daarmee zijn wij er nog niet, want de wetten der menselijke samenleving zijn geen natuurwetten, zij gelden alleen door mensenbreinen. Daarom is er ook veranderlijkheid in die wetten der geschiedenis. Het lig dus mede aan ons, in hoeverre die wetmatigheid verder zal blijven gelden', zegt Clara Meijer-Wichmann4. Zij is dan ook niet van het standpunt afgeweken – waar de 19de eeuwse anarchistiese revolutionair Bakoenin reeds op stond – 'dat wij de wezenlijke betekenis van de histories-materialistiese methode der ontleding en samenvatting der geschiedenis erkennen, maar zowel wat wij uiterlijk als wat wij innerlijk ervaren voortdurend laten gelden en als stof voor onze toekomstbouw zo doelmatig mogelijk gebruiken', zoals haar geestverwant De Ligt het uitdrukte5. Niet alleen hierdoor is het geen Clara Meijer-Wichmann over strafrecht zegt aktief gebleven. De aanzet die zij heeft gegeven tot de ontwikkeling van een anarchistiese rechtsopvatting is in de huidige belangstelling even opmerkelijk. Met behulp van wat Clara Meijer-Wichmann over recht zegt, lijkt het mogelijk dat anarchisten een genuanceerder probleembesef daaromtrent krijgen, dan wanneer zij volstaan te zeggen dat 'recht' een verwerpelijke categorie is.
In de jaren rond 1910, wanneer zij tevens een aktieve rol speelt in de vrouwenbeweging6, legt Clara Meijer-Wichmann de grondslag voor haar wetenschappelijke denken over straf en recht. Zij promoveerde in 1912 op Beschouwingen over de historiese grondslagen der tegenwoordige omvorming van het strafbegrip. Het betrof een ruim opgezette studie over hoe mensen in de loop der eeuwen tegenover 'straffen' hebben gestaan, waarbij zij als essentieel aannam het verband tussen ontwikkelingen in het strafrecht en de ontwikkeling die de mens doormaakt in relatie tot de hem omringende wereld7. Zij bedoelde daar ondermeer mee te zeggen dat een beschouwing niet alleen bij het strafrecht kan stil staan maar ook hoort te kijken naar kunst, filosofie, met andere woorden naar 'andere kultuuruitingen' van dat tijdvak. Hier dient erop gewezen te worden dat zij in die periode van haar leven nog niet als essentieel aanhing het verband tussen ontwikkeling van het strafrecht en ekonomiese omstandigheden (in marxistiese zin, dat wil zeggen in histories-materialistiese zin).
Het door haar in haar proefschrift behandelde probleemkompleks spitste zij toe op de verschillen tussen wat 'vergeldingsstrafrecht' en 'doelstrafrecht' heet. Pas toen zij het doelstrafrecht in een latere fase van haar leven nader begon te analyseren, ging zij grotere nadruk op de economiese (en politieke) omstandigheden leggen. Hiermee breekt als het ware, zo rond 1917, een marxistiese beschouwingswijze door, die echter niet dogmaties kon worden. In haar proefschrift had zij daarvoor reeds te duidelijk blijk gegeven van haar 'libertaire inslag', waar zij bijvoorbeeld stelde dat "geen levend verschijnsel zich in een definitie laat samen vatten" en dat "geen kultuurhistoriese samenhang zich laat bewijzen"8. Haar dialektiese beschouwingswijze is overigens al in haar proefschrift manifest. Het ging haar er om de verhouding te laten zien tussen het oude en het nieuwe, waarin het oude voortduurt maar tegelijk zich omzet en omvormt, en om de vraag in hoeverre de straf zelf blijft wanneer ze verschillende kenmerken verliest, die ze in vroeger tijd bezat9. Deze gedachte over maatschappelijke processen is bij verschillende anarchisten terug te vinden, en haar vriend Bart de Ligt zou deze ondermeer samenvatten in de term 'evolutionaire revolutie'10.
De Nieuwe Richting waarover Clara Meijer-Wichmann sprak, is ongeveer in 188014 tot ontwikkeling gekomen als reaksie op de Klassieke Richting. In de Klassieke Richting gaat een kritiek op het absolutisme van de koning ('monarchaal absolutisme') doorklinken, en ontwikkelt zich het empiries-rationalisme. De verwerping van de macht (willekeur) van de koning komt ondermeer tot uitdrukking in het zogenaamde legaliteitsbeginsel. Het empiries-rationalisme manifesteert zich bijvoorbeeld in bepaalde onderzoeksvormen.
Het is de Italiaanse ekonoom Beccaria (1738-1794) geweest een van de vroege bestrijders van onherstelbare straffen als doodstraf en lichamelijke pijnigingen, die aan het eind van de 18de eeuw het legaliteitsbeginsel formuleert. Dit beginsel houdt in, dat alleen die handeling bestraft kan worden, waarvan van te voren – in een geschreven wet – bekend was dat op die handeling straf kon volgen15. Deze eis tot vastlegging van de strafmacht in de wet dient begrepen te worden als een beperking van die strafmacht. Het gaat om het aan banden leggen van onbeperkte (konings-)macht en willekeur. Het is dus mogelijk in dit legaliteitsbeginsel een van de voorbereidingen te zien van de liberalistiese vrijheidsleer van de rechtsstaat, waaraan ook tijdgenoten van Beccaria zoals de Fransen Montesquieu (1689-1755) en Rousseau (1712-1778) met hun opvattingen hebben bijgedragen16. De strafrechtsopvatting die zich onder dit gesternte ontwikkelde, neemt vooral de strafrechtelijke handeling, de daad in beschouwing, reden waarom hier gesproken wordt over daadstrafrecht, dat in een 'starre wettelijkheid' werd beoefend, zoals Clara Meijer-Wichmann het noemt17. De daad wordt gezien als iets dat losgemaakt is van het abstrakte individu, 'de' Mens. De Nieuwe Richting in het strafrecht ging daarentegen meer aandacht aan de dader besteden, en beschouwde de individuen als konkrete mensen. Daarmee doet het daderstrafrecht zijn intrede. Wat Beccaria betekent voor de Klassieke Richting, betekent de Belgiese statisticus Quetelet voor de Nieuwe Richting, die empiries-rationele onderzoeksmethodes trachtte te ontwikkelen.
Quetelet (1796-1874) gaat op grond van statistiese gegevens als eerste een begin maken met het beschouwen van bepaalde maatschappelijke verschijnselen als volgens vaste wetten in bepaalde maatschappijen optredende18. Misdaad wordt dan niet meer als zonde noch als negatie van het recht gezien, maar bovenal als maatschappelijk verschijnsel. Hier ligt het begin van een deterministiese beschouwingswijze over misdaad, met andere woorden de vrije-wilsleer wordt erin afgewezen. Overigens gaat het hier niet om een volstrekte ontkenning van alle wilsfactoren, wat tot een fatalisme zou leiden19. Iemand die al vroeg de waarde van de beschouwingswijze van Quetelet erkende, was de anarchist Bakoenin, die zich op resultaten van zijn onderzoek beriep20. Hierop komen wij later terug. Eerst willen wij nog de standpunten van verschillende kriminologiese 'scholen' de revue laten passeren.
De schoolvorming verloopt ruwweg langs twee lijnen, te weten, die waar naar ekonomiese oorzaken van misdaad wordt gekeken, en die waar het individu als een geïsoleerd persoon wordt bezien. Het onderzoek naar ekonomiese oorzaken van misdaad leidde tot opvattingen van kriminaliteit als massa-verschijnsel. Het persoonlijkheidsonderzoek leidde daarentegen tot het inzicht dat kriminaliteit een uiting was van aanleg van de enkeling. Deze twee met elkaar om voorrang strijdende opvattingen uit de Nieuwe Richting staan bekend als de Franse- en de Italiaanse 'school', resp. de sociologiese- of ekonomiese- en krimineel-antropologiese 'school'. Aan de Franse school is vooral de naam Lacassagne (1843-1924), aan de Italiaanse school die van Lombroso (1835-1909) verbonden.
Lombroso, Italiaans psychiater en kriminoloog, trachtte oorzaken van misdadigheid op te sporen door schedel- en lichaamsmetingen te verrichten. Hieraan meende hij 'misdadigers-typen' te kunnen herkennen, om zo te geraken tot een 'leer van de geboren misdadiger'. Dit houdt in dat hij een verklaring voor kriminaliteit zocht op grond van endogene (van binnenuit ontstane) factoren. Deze opvatting heeft geleid tot het zodanig stereotyperen van kenmerken, dat dit aanleiding gaf tot het spreken over 'de geboren misdadiger', van wie 'de aanhechting van het oor zodanig is, dat de lel geheel aan het hoofd is gehecht'. Andere afwijkingen zouden zijn: grote snijtanden, zeer dunne of zeer dikke lippen, zeer dikke wenkbrauwen, dik, glanzend hoofdhaar, onregelmatig gevormd neusbeen en scheefstaande neus21. Deze door Lombroso ontwikkelde richting wordt ook wel de biologiese richting genoemd, die later weer herleefde in de eugenisten22. Eugenisten streven verbetering van het menselijke geslacht na in lichamelijk, zedelijk en verstandelijk opzicht. Afgezien van de makabere Nazi-periode doemde rond 1970 de theorie van de fysieke bepaaldheid van de misdadigheid weer op23. Onlangs kwam ze weer in de pers bij de benoeming van de kriminoloog Buikhuisen in april 1978, die naar eventuele biologiese drijfveren van krimineel gedrag wil gaan zoeken. Volgens de rechtssocioloog Schuyt leidt Buikhuisens onderzoek niet terug naar Lombroso.
Hij heeft daarin gelijk wanneer hij daarmee bedoelt aan te geven dat het niet om exact hetzelfde onderzoek gaat. Het gaat hier evenwel om een 'biologiese' richting te signaleren, en dat doet Schuyt eveneens; één van de medewerkers van Buikhuisen wordt vervolgens een bedrijver van de 'biologiese kriminologie'24 genoemd. Al met al voor ons reden om de kriminologie van Buikhuisen in de lijn op te nemen, waarvan Lombroso aan het begin staat. De bestudering van de eventuele biologiese component wordt daarmee overigens op zichzelf niet per definitie als verwerpelijk voorgesteld. Maar naast andere bezwaren kunnen er toch twee genoemd worden waarom — in ieder geval op dit moment — zulk onderzoek 'maatschappelijk irrelevant' kan heten.
In de eerste plaats wordt de onderzoeker geplaatst voor het probleem van de bepaling van wat krimineel gedrag wordt genoemd. Waarom zou hij zich juist met dat gedrag bezig houden, gedrag dat mogelijk in andere tijden en of in andere kulturen geen krimineel gedrag heet. Te denken valt ondermeer aan sommige gedragskodes in de sfeer van het sexuele leven. Maar daarnaast is er nog een ontstellende hoeveelheid eenvoudig krimineel gedrag, waarvan de oorzaak van de toename, zoals Clara Meijer-Wichmann enigszins cynies opmerkte, 'elders ligt dan in het plaatsgebrek (toen al!; inl.) in de gevangenissen'25. Daarop is eenvoudigweg geen afdoend antwoord te vinden . . . omdat vast wordt gehouden aan bestaande maatschappelijke structuren.
De anarchist Kropotkin beweerde wat dit laatste betreft omstreeks 1890 dat tweederde van het aantal handelingen, dat misdaad wordt genoemd, handelingen zijn gericht tegen de bestaande eigendom26. Recente Nederlandse justitiebegrotingen vertolken nog steeds dit beeld. Het totaal aantal ter kennis gekomen misdrijven blijkt te bestaan uit ongeveer 75% vermogensdelikten. Deze vermogensdelikten blijken weer voor ongeveer 95% te bestaan uit diefstallen. Wij laten hier in het midden of het mogelijk te optimisties gedacht is van Kropotkin (en andere anarchisten), dat deze vorm van krimineel gedrag zal verdwijnen op de dag dat de private eigendom wordt afgeschaft. Waar het ons om gaat is op te merken dat sommige onderzoekers zich op massa-kriminaliteit hebben gekoncentreerd en dan ter bestrijding maatschappelijke herstructurering voorstellen. Andere onderzoekers richten zich meer op kriminaliteit als maatschappelijk geïsoleerde activiteit, als individuele gedraging, waarna zij de enkele mens onder de loep gaan nemen. Remedies tegen kriminaliteit lopen dan veelal uit in het plegen van ingrepen (meestal onherroepelijke, bijv. castratie) in het individu als biologies wezen. De biologie als invalshoek kiezen voor kriminologies onderzoek leidt zodoende af van probleemstellingen, waarin de maatschappij als mogelijke oorzaakdrager van kriminaliteit kan worden herkend. Dit houdt dan weer af van het doen van voorstellen om de maatschappij te veranderen als mogelijke remedie voor kriminaliteitbestrijding. En daar is het dan meestal, zeker bij de politieke initiatiefnemers van biologies onderzoek, om te doen27. Opmerkelijk is in ieder geval dat er een zeker samenvallen te signaleren is in de momenten waarop er krisis-achtige maatschappelijke verschijnselen zijn waar te nemen — of aangepraat worden — en het opkomen van biologies onderzoek naar de oorzaak van kriminaliteit. De 'familieverwantschap' van de ideeën is zo gezien opvallend. De roep om bestrijding van kriminaliteit gaat steevast gepaard met een roep om meer politie. Reeds jaar en dag vraagt bijvoorbeeld de voormalige minister van justitie, nu minister-president Van Agt, daar niet aflatend om28. Politie en leger zijn apparaten die als het ware van buitenaf in het maatschappelijke gebeuren zijn in te zetten. Onder gelijktijdig intakt houden van de bestaande maatschappelijke structuren, worden als afwijking gesignaleerde gedragingen (kriminelen) daarmee 'gekorrigeerd'. Deze idee van het van-buiten-af ingrijpen heeft verwantschap met opvattingen over de wijze waarop heerschappij van een god gedacht wordt, die deze wereld 'bestuurt'. Mensen die dergelijke voorstellingen huldigen gaan zichzelf, wanneer zij zekere posities bekleden (werkgever, burgemeester, lijstaanvoerder, minister-president, etc.), zien als een soort afgezant van een dergelijke (goddelijke) figuur. Daarmee trachten zij weer de gehele politieke en maatschappelijke ordening te doorstralen. De hier geparafaseerde 'reaktionaire gezagsleer'29 koncentreert zich op een persoonlijke orde, die gericht is op een enkele persoonlijkheid, de monarch. Deze persoonsgerichtheid zet zich door in alle mogelijke sektoren van het maatschappelijk leven, zo ook in onderzoek naar kriminaliteitsoorzaken, die vervolgens nergens anders gevonden kunnen worden dan in (het binnenste van) het individu. Met 'familieverwantschap' is bedoeld te zeggen, dat biologies onderzocht naar kriminaliteit, het denken in 'persoonlijke orde', het kiezen van een irrationele grondslag als 'een god' en misdaad tot iets individueels maken, vaak samengaat, zodanig dat bij wie dit samengaat meestal aan de kant staat van het 'behoud' van de bestaande maatschappij, aan de kant van de overheerser en de machtige. Dit geschiedt in de meeste gevallen op grond van diens autoriteitsgevoeligheid, dat als een derivaat van de onder/bovenschikkingsstructuur gezien moet worden.
Wat nu van Lombroso, om naar hem terug te keren, niet gezegd kan worden, is dat hij aan de kant van de machtigen stond. Integendeel, zijn hele leven heeft hij de partij gekozen van al wat verdrukt werd, zo besluit Bonger zijn levensbeschrijving over Lombroso30. De naam Bonger moet hier uitdrukkelijk genoemd worden. Hij is de man die het onderzoek naar het verband tussen ekonomiese omstandigheden en misdaad in Nederland introduceerde31. Bonger werkte in de geest van de Franse ekonomiese of sociologiese 'school' van Lacassagne. Deze 'school' leerde dat misdaad gezien diende te worden als een sociaal verschijnsel en afhankelijk was van het sociale milieu, de sociale omstandigheden die weer bepaald werden door de ekonomiese omstandigheden, d.w.z. misdaad werd als afhankelijk gezien van de totale ekonomiese structuur van de maatschappij. Omdat de verklarende factoren voor misdaad van buiten (exogeen) de mens komen, vanuit zijn sociale omgeving (milieu) worden aangedragen, wordt wel gezegd dat de school van Lacassagne zoekt naar exogene factoren, in tegenstelling dus tot de school van Lombroso die naar endogene factoren zocht.
De betekenis van de individuele aanleg werd overigens (door Bonger) niet geheel ontkend. De uit deze opvatting ontwikkelde milieuleer gaf op het gebied van de strafrecht-politiek aanleiding tot het doen van voorstellen ter verbetering van het ekonomiese en sociale milieu, wat tot vermindering van misdaad moest leiden32. Niet verwonderlijk is dat Bonger de leer van Lombroso verwierp. Dit betekende niet dat hij geen waardering voor diens werk had. Voor het plaatsen van de opvatting van Clara Meijer-Wichmann is het nuttig tenminste twee van de waarderingsmomenten te noemen. Ten eerste noemt Bonger het een verdienste van Lombroso dat deze reeds bij de aanvang van zijn wetenschappelijke werk (1876) de vrije wil van mensen ontkende. Daarmee verviel namelijk de strafrechtelijke verantwoordelijkheidsidee van de individuele delinkwent van de Klassieke Richting. De opvatting die deze richting huldigde, onder invloed van de 'vrij-wilstheorie', was dat de mens een onafhankelijk zedelijk oordeel zou hebben, en dat zijn wil vrij zou zijn het goede of het kwade te doen. Oorzaken, die de wil bepaalden, waren er niet33. Ten tweede beschouwde Bonger Lombroso als de eerste wetenschapper die de kriminële mens tot voorwerp heeft gemaakt van systematiese, antropologiese onderzoekingen. Indirekt heeft hij daarmee ook de kriminële sociologie, door de tegenspraak, die hij bij haar beoefenaars heeft uitgelokt, krachtig bevorderd34. Iemand die tot deze groep wetenschappers behoort is Clara Meijer-Wichmann, die het vak 'rechtsstatistiek' beoefende en van 1914 tot haar dood (1922) verbonden was aan de gerechtelijk-statistiese afdeling van het Centraal Bureau voor de Statistiek.
Clara Meijer-Wichmann sloot zich aan bij de opvattingen door de 'school' van Lacassagne ontwikkeld. Deze school, bekend onder vele namen als sociologiese-, krimineel-sociologiese-, ekonomiese- of Lyonse school (naar de plaats waar Lacassagne doceerde), betwiste de staat het recht om te straffen, omdat deze zelf direct en indirect de voorwaarden voor kriminaliteit schept. De Engelse wijsgeer Thomas More richtte zich met woorden van gelijke strekking tot koning Hendrik VIII: '... eerst kweekt ge dieven en dan hangt ge ze op ...'. Zoals in het voorgaande is opgemerkt, wordt deze kijk op kriminaliteit samengevat in de term milieuleer of milieu-theorie, die in twee vormen optreedt, te weten een burgerlijke en een socialistiese. Clara Meijer-Wichmann zegt daar in Het recht tot straffen35 het volgend over: "1e. De burgerlijke milieu-theorie erkent: Bijna alle misdadigers komen voort uit lagere volksklassen (voor een groot deel losse arbeiders). Stijging van de graanprijzen gaat dikwijls samen met toeneming van de kriminaliteit. En verder dat armoede, woningtoestanden, alkoholisme, verwaarlozing van kinderen, maatschappelijke oorzaken van kriminaliteit zijn. Deze theorie leidde tot bestrijding van alkoholisme, tot verenigingswerk, enzovoort en tot de zogenaamde veiligheidsmaatregelen (dwangopvoeding van dronkaards enz.). Maar de volledige toepassing van deze middelen is in het tegenwoordige maatschappelijk stelsel niet mogelijk. Zij tast de bron van de misstanden namelijk niet aan. Dit alles wil nu niet zeggen dat de aanleg van geen belang is; zeker hangt het van de aanleg af wie "bezwijkt"; maar de voorwaarden van dat bezwijken leveren de omstandigheden: De minderwaardige valt het eerst aan de omstandigheden ten offer. En bovendien: de erfelijke aanleg hangt weer in vele opzichten met maatschappelijke factoren samen. We hebben hier dus de algemene vraag van de wisselwerking van individuele factoren en omstandigheden – en de vraag of de maatschappij zo ellendig is omdat de mensen zo slecht zijn, of omgekeerd – wat aldus gesteld een "onredelijke" vraag is. De milieu-theorie is vanzelf dialektieser, staat sterker in het teken van de veranderlijkheid. En de milieufactoren zijn dan ook de meest veranderlijke.
2e. Maar de eigenlijke, principiële milieu-theorie is de socialistiese. Want er is wisselwerking tussen mensen en maatschappij. Beider ontwikkeling is niet te scheiden. Wie de één verbetert, verbetert ook de ander. En daarom is in het huidig maatschappelijk stelsel de voorkoming van de misdaad onmogelijk. Reeds bij de oude socialisten treft men dit besef aan, hoewel daar naïever uitgedrukt: niet de individuele dader is de schuldige.
De socialistiese milieu-theorie dan wijst op het volgende: "La faim lente" (Proudhon), de langzame honger, het chronies tekortkomen. "Was man besitzt das braucht man nicht zu stehlen" (Engels). Dat de kriminaliteit op en neer gaat met de maatschappelijke omstandigheden is gebleken op het eind van het Romeinse rijk, in de 15de en 16de eeuw in Engeland, in de 30-jarige oorlog in Duitsland, en nu in de oorlogsjaren opnieuw. Het demoraliserende karakter van kapitalisme, konkurrentie en uitbuiting, kortom niet van bepaalde uitwassen van deze maatschappij, maar van haar hele "misdadig" karakter. In de middeleeuwen was er nog gevoel van saamhorigheid. En productie naar behoefte. Met het sterker worden van kapitalisme (en Geldwirtschaft) wordt de winzucht grenzeloos en tot hartstocht, waardoor kriminogene tendenzen ontstaan zijn. In het kapitalisme wordt uitbuiting door het geldend recht gesanksioneerd. Het geldende recht straft eigendomsdelikten en oproer streng, maar veel dat zedelijk slecht moet heten in het geheel niet. En wat van de strafbepalingen ter bescherming van de eigendom geldt, geldt ook van die ter bescherming van gezag en orde. Ieder bestaand gezag waant zijn aantasting heiligschennis. Maar "das Positive ist das Unvernünftige", en de redelijke naar hoger strevende mens zal eeuwig boven bestaande heerschappij uit moeten. Zoals de samenhang van misdadigheid en ekonomiese omstandigheden ons tijdens de oorlog opnieuw duidelijk is geworden zo tijdens deze laatste jaren van revolutie en kontra-revolutie de betekenis van het "gezag" en van de misdrijven tegen het gezag. Deze maatschappij heeft niet het recht tot het straffen van misdaden, die zijzelf schept en (of) die alleen in haar ogen misdaden zijn. De sterke recidive bewijst overigens hoe weinig de straf helpt. Over de samenhang van misdrijf en socialisme is meer te zeggen dan dit. De gewone voorstelling is deze: 1e. dat een vermindering van de kriminaliteit tengevolge van de verbetering van maatschappelijke verhoudingen zal plaats vinden; 2e. dat de klassejustitie zal ophouden te bestaan. Maar dit is zeer onvolledig. De socialistiese levensbeschouwing brengt een andere beschouwing zowel van misdadigers als van misdaad en straf mede. Daaruit vloeit voort: 3e. een wetenschappelijke en broederlijke beschouwing van de misdadiger, en dus 4e. een andere methode van inwerking op de misdadiger; 5e. een histories-materialistiese beschouwing van het strafrecht, zodat de klasse-elementen daarvan zullen komen te vervallen. De gebruikelijke definities van wat misdaad is gaan altijd uit van de binnen een groep bestaande overtuiging. Dit is ten enenmale foutief."
Aan het formuleren van een bruikbare omschrijving van de term misdaad heeft A. Hamon, uit de school van Lacassagne, een brochure gewijd. Hij zegt daar: 'Misdaad is die handeling waarbij de individuele vrijheid wordt aangetast"36. Een ieder begrijpt dat het hier om een bedrieglijke eenvoud van omschrijven gaat. Hamon stelt voor om te bezien of de omschrijving voldoende is. Daarvoor kijkt hij of 'bekende' misdrijven uit het Wetboek van Strafrecht er onder vallen. Het antwoord valt positief uit, waarmee hij impliciet beweert: dus niemand uit het burgerlijke (juridiese) kamp kan iets tegen mijn omschrijving van misdaad hebben. En dan gaat hij verder door zich af te vragen hoe het zit met de mens die een 'wild dier' temt. Dit is óók misdaad, want hij tast de individuele vrijheid van het dier aan37. Opmerkelijk is dat het dier een zelfde plaats krijgt in de omschrijving als de mens. Dit element is bij Clara Meijer-Wichmann in haar De rechtspositie der huisdieren38 terug te vinden. Het huidige verzet tegen de (kwalijke kanten van de) bio-industrie maakt die opvatting weer actueel.
Ondanks het feit dat het domesticeren van dieren is aan te merken als misdaad, is het duidelijk dat alle mensen deze misdaad nuttig vinden, aldus Hamon. Dan stapt hij over naar de man die meer land en of andere eigendommen bezit dan nodig is om in zijn eigen voortbestaan te voorzien. Misdaad! Deze misdaad is echter tot gewoonte geworden, deze misdadiger wordt geacht en gewaardeerd door een minderheid.
Een man misbruikt de macht die de maatschappij hem voor een bepaald doel heeft verleend; een man neemt of houdt die macht tegen de wil van de maatschappij in: misdaad. Maar het is wel regel in de huidige maatschappijen39. Het hoeft nauwelijks betoog: deze optiek op 'misdaad' is onverbrekelijk verbonden met de opvatting dat economiese factoren voor misdaad bepalend zijn en bovendien als meest veranderlijk worden voorgesteld. In de misdaadbestrijding vormen deze factoren – technies gezien – de variabele factoren.
Betekende dit voor Clara Meijer-Wichmann, die op voornoemd standpunt stond, dat er eenzijdige nadruk moet komen te liggen op milieufactoren? Dat hoeft niet, zegt zij, want ook de bestrijding van individueel-fysiologiese oorzaken van degeneratie valt binnen de taak van een 'redelijke' samenleving. Maar daarbij bedenke men wel: veel van wat als aanleg wordt beschouwd hangt in laatste instantie met ekonomiese omstandigheden samen. En dát zijn juist de meest variabele faktoren . . .40. Daarmee wordt overigens niet beweerd dat ze in de praktijk van de kriminële politiek als het gemakkelijkst te veranderen blijken. Integendeel, zo valt te konstateren.
Waar het om draait is, dat, wanneer kriminaliteit gezien wordt als product van maatschappelijke omstandigheden, het niet meer voor de hand ligt kriminelen persoonlijk verantwoordelijk te stellen voor hun ontsporingen. Meer ligt dan in rede de maatschappelijke omstandigheden zodanig in te richten dat zulke ontsporingen niet meer of tenminste minder voor kunnen komen. Bestrijding van kriminaliteit komt daarmee ondermeer op het nivo van het treffen van algemene sociaal politieke maatregelen als verbetering van behuizing van mensen, onderwijs, beperking van arbeidsduur, bestrijding van alkoholisme. Dit zijn hoofdtrekken uit de Nieuwe Richting in het strafrecht41, waarvan Clara Meijer-Wichmann later zegt: "Wij hebben (dus) de betrekkelijke verdiensten van de Nieuwe Richting erkennende, verder te gaan (. . .)"42. Maar hoe moeizaam het invoeren van de meest eenvoudige wijzigingen tot stand komt blijkt uit het volgende voorbeeld.
Een van de eisen die de Nieuwe Richting formuleerde is de afschaffing van de korte vrijheidstraf en de vervanging daarvan door een geldboete. Deze in het proefschrift van Clara Meijer-Wichmann voorkomende eis werd onlangs (mei 1978) gehonoreerd met het indienen door de minister van justitie van het ontwerp Wet Vermogenssankties, waardoor het mogelijk moet worden gemaakt om de korte vrijheidsstraf terug te dringen door verruiming van de toepassingsmogelijkheden van boetes . . .
Clara Meijer-Wichmann heeft het niet gelaten bij het in haar proefschrift overnemen van enkele eisen tot verandering van het strafrecht. Zij ontpopte zich in de loop der jaren mede als activiste en manifestenschrijfster. Zo richtte zij met anderen, waaronder de libertaire pedagoog Kees Boeke43 een Comité van actie tegen de bestaande opvattingen omtrent misdaad en straf (juli 1919). In het oprichtingsmanifest — dat eveneens in het Deens en het Duits verscheen — ontzegde zij deze maatschappij het recht tot straffen, een recht dat zij als een egoïsties zelfverweer kenschetste. Nu is dit in anarchistiese kring geen onbekend geluid. In 1868 stelde Bakoenin al dat het huichelachtig en absurd is om de misdadigers te straffen, omdat iedere bestraffing schuld veronderstelt en de misdadigers nooit schuldig zijn44. De argumentatie is dezelfde als die de Franse school later zou ontwikkelen: 'het' individuele en sociale kwaad is niet zo zeer gelegen in de personen als wel in de inrichting van het maatschappelijk bestel ('Organisation der Dinge')45. En even verderop zegt Bakoenin in de aangehaalde tekst: macht ligt minder bij de mensen dan in de konstellatie, die door het maatschappelijk bestel ten gunste van de bevoorrechten wordt gekreëerd, d.w.z. de staatsinstelling en haar basis, het privé-bezit46. Kropotkin zou een aantal jaren later (1887) zeggen, dat wij te geïsoleerd leven, waar de private eigendom ons gevoerd heeft tot een egoïsties individualisme in al onze wederzijdse relaties47. Het is dit individualisme dat zich grondvest op de 'vrije wil', waarvan reeds gesignaleerd is dat Bonger Lombroso hield voor de eerste systematies-wetenschappelijke verwerper ervan (in 1876). Bakoenin verwierp de vrije wil daarvoor al, en tevens het daaraan gekoppelde vermeende recht van de gemeenschap om te straffen (o.m. in 1868). Ieder menselijk individu is het onvrijwillig product van een natuurlijk en sociaal milieu waarin hij is geboren, zich heeft ontwikkeld, en waarvan hij de voortdurende invloed heeft ondergaan48. Dit standpunt is in zijn artikelenserie in Egalité over (integrale) opvoeding terug te vinden. Daarin kiest hij als uitgangspunt, dat, als men mensen morele wezens wil laten worden, dan het sociale milieu daarvoor adekwaat moet zijn ingericht49. Het op de empiriese wetenschap berustende socialisme — wat door Bakoenin werd aangehangen — wijst de leer van de vrije wil af. Het erkent dat alles wat men menselijke zonde of deugd noemt, voortdurend het product is van een gekombineerde werking van de natuur en de maatschappij. Bij het formuleren van deze opvatting beroept Bakoenin zich mede op de statistikus Quételet, over wie wij in het voorgaande spreken. Van hem haalt Bakoenin het kredo aan: "De maatschappij bereidt de misdaad voor en de enkelingen voeren haar slechts uit"50. Het is goed om bij het vraagstuk van de vrije wil, zoals dit door Bakoenin werd gezien, nog een ogenblik langer stil te staan. Het heeft namelijk verstrekkende konsekwenties voor een mogelijke beschouwingswijze omtrent vrijheid in het algemeen, en voor een standpuntbepaling in het strafrecht in het bijzonder.
Bakoenin stelt dat als uitgaan van de 'vrije wil' zinvol gebeurt, het leidt tot de veronderstelling dat mensen zich spontaan, uit zichzelf bepalen, zonder invloeden van buiten. Wanneer dat zo zou zijn dan zou dit grote wanorde opleveren en iedere solidariteit onder mensen was onmogelijk. De miljoenen van elkander onafhankelijke 'willen' zouden elkaar op den duur noodzakelijkerwijs vernietigen, wanneer er geen boven hen staande despotiese wil van goddelijke voorzieningheid bestond. Prakties alle aanhangers van de leer van de vrije wil worden zodoende onvoorwaardelijk gedreven naar de erkenning van een god. Dit is de theologiese en metafysiese grondslag van de leer van de vrije wil. Wat volgt daar uit? Als men de abstrakte of fiktieve, metafysiese vrijheid van mensen, de vrije wil, verdedigen wil, dan is men gedwongen de 'werkelijke' vrijheid te ontkennen51. De inhoud van 'werkelijke' vrijheid is bij Bakoenin gekoppeld aan ekonomiese bevrijding52 van mensen en in hoeverre deze is gerealiseerd. Deze stand van zaken is ondermeer af te lezen aan de wijze waarop de maatschappij nog op krimineel gedrag reageert. Naarmate de maatschappij zich minder van straffen (in de traditionele zin) behoeft te bedienen, zal zij dichter bij haar werkelijke bevrijding zijn53. Dit duidt er dan op dat fundamentele maatschappelijke wijzigingen zijn doorgevoerd, zodanig dat vandaar uit de kriminaliteit blijkt af te nemen (of afgenomen te zijn). Bakoenin is met andere woorden te zien als een voorloper van de Franse school en Clara Meijer-Wichmann is in zijn voetsporen getreden.
Het zoeken naar voor het ontstaan van kriminaliteit bepalende ('determinerende') factoren, heeft bij de milieutheoretici geleid tot overaksentuering van de ekonomiese omstandigheden. Even opmerkelijk is het daarom dat Bakoenin sprak over een kombinatie van factoren. Als hij het in dit geval over de 'natuur' heeft, verstaat hij daaronder etnografiese, fysiologiese en pathologiese verschijnselen54. Toen Kropotkin enkele jaren later (dec. 1877) in Parijs een lezing over Gevangenissen en hun morele invloed op de gevangenen55 hield, somde deze drie hoofdoorzaken van misdaad op, te weten natuurlijke-, lichamelijke- en sociale-. Onder de natuurlijke oorzaken worden ondermeer gerekend weersgesteldheden. Met een naïviteit Kropotkin eigen zei hij: als het weer lekker is en de oogst goed, dan is de kans dat een geschil met het mes beslecht wordt kleiner, dan wanneer zulks niet het geval is. De lichamelijke oorzaken, waartoe mede de toestand van de hersenen, de spijsvertering en het zenuwstelsel wordt gerekend, houdt Kropotkin voor gewichtiger dan de natuurlijke oorzaken. Het zwaarst hecht hij evenwel aan de sociale omstandigheden waaronder een mens opgroeit. De maatschappij zelf kreeg er de onmogelijkheid voor mensen om een eerlijk leven te leiden, en vervult hen met anti-sociale verlangens. Mensen zijn het resultaat van hun omgeving, waarin zij zijn opgegroeid en hun leven hebben gesleten. Wij zouden, betoogt Kropotkin, niet langer gebruik hoeven te maken van gevangenissen, bewakers of rechters, wanneer de relatie tussen kapitaal en arbeid fundamenteel is gewijzigd56.
Het is duidelijk dat door anarchistiese denkers als Bakoenin en Kropotkin de nadruk wordt gelegd op de ekonomiese omstandigheden. Maar dit houdt niet in dat zij zó doorslaan dat zij ontkennen dat sommige mensen mogelijk door niet-sociale, door endogene factoren tot kriminaliteit kunnen geraken. Dit betekent dat wanneer zij de maatschappij bevrijd zagen van kriminaliteit, dit een bevrijding was van vooral vermogensdelikten. Dit houdt impliciet in dat een anarchistiese samenleving rekening dient te houden met een 'rest' aan kriminaliteit, namelijk die welke niet afhankelijk is van ekonomiese omstandigheden, althans de huidige niet-socialistiese ekonomiese omstandigheden. Het is echter goed om te bedenken dat het hier om een relatief zeer kleine groep ('delinkwenten') zal gaan. En in de bestaande samenleving wordt juist deze kleine groep gehanteerd om het schrikbeeld omtrent misdaad levend te houden. Het bestaan van deze groep legitimeert de gevestigde macht om het misdaad-probleem als 'onoplosbaar' voor te stellen, zodat zij enerzijds fundamentele hervormers het bekende utopie-verblijf kan maken, en anderzijds om nog meer politie kan vragen. De geveinsde reden voor dit laatste is 'bescherming van de burger', de werkelijke reden is om zichzelf te handhaven.
Dat een anarchistiese maatschappij ook zijn kriminaliteitsproblemen zal kunnen hebben lijkt zeer waarschijnlijk. Clara Meijer-Wichmann stelt dit overigens zelf in het essay Misdaad, Straf en Maatschappij57 aan de orde. De geestverwante anarchosocialist M.A. Romers, zal nadien daarop terugkomen en erkennen dat sommig gebruik van dwang noodzakelijk zal kunnen zijn. Het utopie-verblijf wordt dus ten onrechte gemaakt. Dit neemt niet weg dat (andere) anarchisten het gebruik van dwang sterk problematies blijft voorkomen. Immers zij zeggen alle dwang te verwerpen, terwijl situaties denkbaar zijn dat dwang als enige adekwate reaksie resteert. Het problematiese moet vooral daarin gezien worden, dat, bij toepassen van geen andere methodes dan die welke reeds in de bestaande maatschappij voorhanden zijn, men snel slachtoffer wordt van autoritaire oplossingen waarnaar anderen zo graag en bij voorkeur grijpen58. En daar was nu juist bij Clara Meijer-Wichmann noch bij Romers sprake van! Wanneer naast straffen veiligheidsmaatregelen en of strafvervangende maatregelen getroffen worden, dan dienen ook deze op hun inhoud te worden bekeken. De ene categorie maatregelen kan liggen in de sfeer van het tegengaan van struikroverij door het aanleggen van spoorwegen, of het bestrijden van bankovervallen door het aanbrengen van kogelvrij glas voor de loketten. Ondanks de weinig fundamentele sfeer van deze vormen van misdaadbestrijding kunnen ze wel als een stap in de goede richting worden gezien. De andere groep maatregelen, dus die waar straffen in de sfeer van de verpleging wordt gebracht, heeft ontegenzeggelijk naast goede ook zijn kwade kanten, al was het maar omdat zulke maatregelen de kracht van de burokratie vermeerderen59.
De bescherming van de maatschappij hoeft dus niet als een kwaad te worden gezien, betoogde Clara Meijer-Wichmann, maar het blijkt dat die bescherming te veel draait om zaken die — in socialistiese zin — nauwelijks de moeite waard zijn om te beschermen, en dat met middelen die verwerpelijk zijn60. Naast het zoeken naar strafvervangende maatregelen van de eerst genoemde kategorie, wordt door Clara Meijer-Wichman een betere pedagogiek dan die van straf voorgestaan. De strafrechtsgeleerde Hazewinkel-Suringa merkte daar enige jaren geleden nog over op dat Clara Meijer-Wichmann hiermee preludeerde op opvattingen, die ook nu wel omtrent het strafrecht worden verkondigd. Alleen wat Clara Meijer-Wichmann toen 'maatschappelijke pedagogiek' noemde zou op dit moment waarschijnlijk 'agogiek' heten61. Clara Meijer-Wichman sluit voor deze opvatting mede aan bij de Franse socioloog en filosoof Guyau (1854-1888), die ook op Kropotkin invloed uitoefende, en bij de Italiaanse pedagoge Montessori (1870-1952). Instemmend neemt Clara Meijer-Wichmann van de laatste in haar Het recht tot straffen62 over: "Vrijheid is zelfwerkzaamheid". "Een individu is niet pas ordelijk, wanneer men het dwingt tot zwijgen als een stomme en tot onbeweeglijkheid als een paralyticus. Dat is geen ordelijk, maar een vermoord individu. . . Wij noemen ordelijk een individu, dat zich weet te beheersen. (...) Het mens-zijn behoort te worden geëerbiedigd met godsdienstige verering. . . Om dit te doen is het noodwendig, dat zo streng mogelijk wordt vermeden het onderdrukken van spontane bewegingen en het handelen op bevel van anderen; tenzij er sprake is van nutteloze of gevaarlijke handelingen, omdat die juist moeten worden onderdrukt en voorkomen."
En Clara Meijer-Wichman vervolgt over Montessori: "Boven een hoofdstuk zet zij dan: 'Afschaffing van beloningen en straffen'. (Let wel: in de pedagogiek! In de maatschappij zijn we er nog niet eens aan toe dat de straffen in het algemeen in dienst van de opvoeding worden aangewend.) Daarin zegt zij: 'Worden deze grondbeginselen aanvaard, dan gaat men er vanzelf toe over, beloning en straffen (ook hier evenals bij Nietzsche worden die twee als samenhangend begrepen) af te schaffen. De ware, de enige beloning, die nooit teleurstelt, is het gevoel iets te kunnen, het gevoel van innerlijke vrijheid.' Als praktische toepassing van het beginsel, dat zij in de plaats van het straffen stellen wil, geeft zij dit voorbeeld: 'Dan plaatsen we een tafeltje in een hoek van de zaal, om het kind af te zonderen, zó, dat het de anderen goed kon zien. Het kreeg natuurlijk op zijn tafeltje alle dingen, die het wou hebben. Die afzondering hielp altijd; het kind kwam tot kalme; het zag de ganse klas, en haar wijze van zich te gedragen was een uitstekende aanschouwelijke les in het gedrag . . . Langzamerhand zag het dan in, dat het aangenamer was, bij de anderen te zijn, en vroeg dan te mogen doen als de anderen. Op die wijze hebben we tot de orde gebracht alle kinderen, die eerst weerbarstig schenen". (Montessori legt er de nadruk op, dat zo'n afgezonderd kind met bizondere vriendelijkheid werd bejegend). "De diepe zin van de onafhankelijkheid hebben we ons nog niet al te duidelijk gemaakt, daar de maatschappij, waarin wij leven, nog op dienen is ingericht. Evenals in de tijd van de slavernij het begrip van vrijheid niet bijster helder was, zo kan het begrip van onafhankelijkheid zich niet ontwikkelen in een beschavingstoestand, waarin dienaren bestaan. Deze dienaren zijn niet afhankelijk van ons, wel te verstaan — wij zijn het van hen —. De toekomstige mens zal als grondslag van zijn waardigheid deze opvatting huldigen: "Ik wil niet gediend worden, want ik ben geen onmachtige". En de taak van de opvoeding wordt dan: "de tere wezentjes, die kinderen zijn, steunen op de weg naar de onafhankelijkheid."
Guyau stelt het vraagstuk het meest algemeen. Het meest van allen ziet hij de moraal van plicht, beloning en straf als het meer aanvankelijke stadium. Guyau herinnert eraan, dat ook de religie een ontwikkeling heeft doorgemaakt van vrees- en beloning naar zuivere religie. En zo is het overal: in de liefde, in de maatschappelijke broederschapsgevoelens, in de verhouding van ouders en kinderen: overal, waar het teer en innerlijk is geworden, daar is de plicht overwonnen. De plicht hoort bij een betrekkelijk laag stadium. Dit is nu niet zo op te vatten, alsof we dan "onze plicht maar niet moeten doen", maar we moeten trachten zó te worden, dat die scheiding van plicht en neiging er niet meer is."
Zo mag ook de ontkenning van het recht tot straffen, evenals haar opvatting over geweldloosheid, bij Clara Meijer-Wichmann niet worden opgevat als een soort 'weerloosheid'. Het moet juist gezien worden als aansluitend op wat De Ligt 'geestelijke weerbaarheid' heeft genoemd63. Hierover is bij Clara Meijer-Wichmann in Het recht tot straffen64 het volgende te vinden: "Nu zal men zeggen: pas in verre verten ligt de verwezenlijking. Ja, maar zullen de "zachte krachten zeker winnen aan het eind", dan moeten zij nu al aangewend worden, — en dan moeten ze niet gepredikt worden, verontwaardigd, aan anderen, maar toegepast worden door die anderen mild te begrijpen. Over de richting zullen we het nu wel eens zijn: dat de vergeldende gerechtigheid en de afschrikkings-bescherming niet de hoogste gerechtigheid en niet de hoogste bescherming zijn. Laten we het nu eens zó zeggen, in plaats van de "anderen" te slecht te vinden om zonder straf in "de orde" te blijven: recht tot straffen hebben wij niet, maar het is nog boven onze macht om van zelfverweer en verweer voor anderen geheel afstand te doen, en we zijn nog te grof om uitsluitend door andere middelen te werken. Ook waar het strafrecht rechtsgoederen beschermt, die een bescherming waard zijn, en waar het niet de sterkeren tegen de zwakkeren beschermt, daar geschiedt dit nog met lagere middelen en zonder het besef dat men elkaars vergissingen en fouten gezamenlijk behoort te dragen. De ontkenning van het recht tot straffen moet men echter niet opvatten als een weerloosheid, waardoor het gevaar zou kunnen ontstaan van een zinken tot een peil beneden dat van de staatsstraf (lynchwet, eigen richting), maar als een geestelijke weerbaarheid. Zoals wij ook tegenover het militarisme geen weerloosheid, maar een geestelijke weerbaarheid hebben gesteld, een andere activiteit. De gewone mentaliteit is: ieder misbruik moet met een strafbedreiging bestreden worden. Een samenleving, die op dwang berust, kan inderdaad zonder straf niet in stand blijven. Maar met het afsterven van de staat en van de dwang zou ook de straf kunnen verdwijnen. Het hoger geestelijk beginsel, dat ons tot richtsnoer zijn moet in het maatschappelijke leven is de eerbiediging van ieder menselijk wezen, dat dus nooit middel, werktuig mag wezen. Ieder mens komt vele malen in het leven voor deze vragen te staan, in allerlei verhoudingen. Als ge u er nog niet vóór kunt verklaren om tegenover "ernstige misdadigers" van straffen af te zien, tracht dan tenminste in elk konkreet geval in uw leven, waarin uw omgeving een strafmaatregel eist, en waarin misschien ook uw eigen eerste reaksie in die richting gaat, u te bezinnen op dit, dat het strafbeginsel het hoogste rechtsbeginsel niet is; en tracht u in te denken in degeen om wie het gaat."
Op grond van het voorgaande is het nu mogelijk de strafrechtsopvatting van Clara Meijer-Wichmann verder te ontwikkelen. Zij gaat uit van drie groepen misdaad. De eerste groep kriminaliteit is direct of indirect het gevolg van ekonomiese wanverhoudingen. Daarbij gaat het vooral om handelingen die in het bijzonder de bezittende klassen laakbaar achten. Te denken valt bijvoorbeeld aan het kraken van (langdurig) leegstaande woning... De tweede groep kriminaliteit betreft strafrechtelijk relevante handelingen waarin mensen zich openlijk en principieel richten tegen het gehele huidige politiek-maatschappelijk stelsel. Clara Meijer-Wichmann noemt hier politieke en economiese-revolutionairen, militaire dienstweigeraars en stakers (of zoals nu bedrijfsbezetters) in sommige fabrieken. De derde groep omvat de 'misdadigers in eigenlijke zin', waaronder zij ondermeer rangschikt 'woestelingen en wreedaards'65. De eerste groep kriminaliteit ziet zij in een latere, verdere maatschappij verdwijnen. Van de tweede groep hoopt zij — maar zij heeft er haar twijfels over of dat ooit zal gebeuren — dat deze als eeuwige jeugdbron van de mensheid wordt erkend. Het zijn de dissidenten in de samenleving66. En over de derde groep vraagt zij zich af of tegen deze in die andere maatschappij op de zelfde wijze moet worden opgetreden als thans het bestaande strafrecht tegen alle drie deze groepen optreedt67. Haar antwoord in Misdaad, Straf en Maatschappij68 luidt ontkennend, zodat wij ons van behandeling hier verder ontslagen achten. Waar wij nog wel op in willen gaan is de tweede groep, omdat deze groep personen omvat, waartoe ook de grote ketters en hervormers moeten worden gerekend, en waaronder ook iemand als Coornhert valt over wie wij nog zullen spreken. Zelf noemt Clara Meijer-Wichmann om die groep te typeren op verschillende plaatsen69 de naam Galilei (1546-1642), een Italiaans fysicus en sterrenkundige, die door de roomse inkwistie gedwongen werd zijn opvattingen te herroepen.
In haar Het recht tot straffen wijst zij er vervolgens op dat bij de aanvang van de geschiedenis van het mensengeslacht in alle mythologieën misdadigers staan zoals Prometheus, Lucifer en Adam. En waarom worden zij gestraft? Om hun ongehoorzaamheid70. Prometheus werd in de dagen dat Clara Meijer-Wichmann publiceerde als een intrigerende persoonlijkheid beschouwd. De Nederlandse schrijfster Carry van Bruggen (1881-1932) droeg er in 1919 een omvangrijke studie aan op71, waarmee de Nederlandse polemist Menno ter Braak (1902-1940) een koppige streep door zijn filosofies kasboek getrokken zag72. Ook Bart de Ligt neemt in zijn brochure Anarchisme en revolutie73 Prometheus tot symbool. Wat is er om Prometheus te doen? Het verhaal gaat dat de goden boven woonden in zon en glorie. Beneden kropen de mensen, machteloos. Prometheus had een hart; hij klom in de klassehemel, roofde het vuur en bracht het aan de mensen. Deze stonden op en stichtten hun beschaving en kultuur. De Oppergod, die begreep dat het nu met hemelse voorrechten spoedig uit zou zijn, sloeg de omwentelaar (de dissident) met diamanten ketenen aan de rots, waar hij gemarteld werd. Zó streed de anarchist Bakoenin en zó streden alle waarlijk revolutionairen, laat De Ligt volgen op zijn schets van dit mythologiese beeld74.
De reden dat wij ons de tijd gaven om dit beeld opnieuw onder de aandacht te brengen, ligt voor de hand: op dat moment is het probleem actueel wanneer er mensen zijn die over zich zelf zeggen met de bestaande rechtsorde in oorlog te zijn. Een dergelijke instelling bevreemdde Clara Meijer-Wichmann niet. Tenslotte, zegt zij in het Oprichtingsmanifest van het CMS75, schept de maatschappij ook de principiële bestrijders van deze hele 'orde'; deze richten zich tegen heel het politiek-ekonomies stelsel76. Tot die categorie valt te rekenen de groep die wij de laatste jaren gewend zijn te noemen 'politieke terroristen'. Het bedreigende van hun activiteiten, schuilt — aldus enkele Nederlandse juristen — voorzover ze nog geen epidemies vormen hebben aangenomen, niet zozeer in de schade die aangebracht wordt aan gebouwen en menselijke slachtoffers, als wel in de politieke argumentatie voor dergelijke aksies. Men hoeft geen aanhanger van een dergelijk optreden te zijn om toch de logika, die in deze opvatting schuil gaat, te onderkennen. En zolang moorden, brandstichtingen en bankovervallen nog in de bekende traditionele redeneerpatronen zijn onder te brengen (haat, ziekelijke storing, geldzucht) vormt — nog steeds aldus voornoemde juristen — de berechting ervan geen probleem. Anders wordt het wanneer dergelijke daden voortkomen uit politieke filosofieën en wereldbeschouwingen. Dan blijkt immers plotseling dat er in onze samenleving mensen zijn die op grond van politieke analyse en ervaringen tot de conclusie zijn gekomen, dat dit soort daden de enige adekwate manier oplevert om maatschappelijke veranderingen af te dwingen77. Met andere woorden, de bestaande maatschappij brengt onterfden en ontheemden ertoe dat te nemen en te doen langs onwettige weg wat hun langs wettige wordt onthouden.
Clara Meijer-Wichmann die, net zo min als wij overigens, pleit voor gewelddadige activiteiten — stelt zich voor dat degene die als persoonlijkheid aan de wetten van zijn tijd de dienst weigert, dit meestal niet alleen doet terwille van zijn persoonlijkheid, maar ook terwille van het hoger op voeren van de gemeenschap, waarin hij of zij leeft. Als voorbeelden van een dergelijke levenshouding zagen wij Clara Meijer-Wichmann naar de mythologiese figuur Prometheus en de fysicus Galilei verwijzen. Straft men zulke persoonlijkheden om hun daden, dan 'straft' men niet maar men bestrijdt hen78. Zo wordt tegen de tweede groep kriminaliteit waarover Clara Meijer-Wichmann het had, strafrecht in stelling gebracht als verweermiddel tegen ongehoorzaamheid. Wat daar verder over valt te zeggen komt met name in het tweede deel van Misdaad, Straf en Maatschappij aan de orde. In het artikel De rechtsorde en haar handhaving79 wordt nog een ander relevant facet behandeld, de manipulatie met termen als aanval, verdediging en geweld.
De politieke 'terrorist' maakt in zijn 'aanval' op de rechtsorde gebruik van geweld. Hiermee verdwijnt onder tafel dat de verdediger óók geweld gebruikt, maar bovendien is het helemaal de vraag of de verdediger niet juist de aanvaller was. Dit is ondermeer weggemoffeld in het stellen van de rechtsorde, terwijl het hooguit om een rechtsorde — namelijk een bepaalde — kan gaan. Het is een heersende klasse die een bepaalde rechtsorde waard acht instand te houden — maar die hem voordien tot stand heeft moeten brengen: met strijd! Het betreft een thema dat zij ook in haar Filosofiese grondslagen van het socialisme behandelt, waar zij zegt dat het geweld ter verdediging van de huidige orde minstens evenzeer geweld is als dat der revolutie, immers: 'de witte terreur heerst altijd'80. Wanneer dus een heersende klasse aan een in opstand komende onderdrukte klasse tegenwerpt, dat deze haar strijd niet zonder geweld voert, en zich daardoor vanzelf gerechtvaardigd acht om daartegenover haar geweld van politie, leger en gevangenis te stellen, dan bedenke zij dit: het geweld van de verdediging is evengoed geweld als dat van de aanval, aldus Clara Meijer-Wichmann81. En Prometheus wordt nog steeds gemarteld; wel is inmiddels het uitrukken van ingewanden vervangen door isolatiefolter.
Tot nu toe is de aandacht vooral gericht geweest op mensen van wie strafrechtelijk relevant handelen in verband werd gebracht met sociaal-politieke en ekonomieke omstandigheden. Maar wij hebben er ook op gewezen dat Clara Meijer-Wichmann, evenals Bakoenin en Kropotkin, aannam dat een zekere groep delinkwenten het slachtoffer kan zijn van haar 'niet-normale' aanleg. Clara Meijer-Wichmann noemde het dan ook een verdienste van de school van Lombroso dat deze een beter licht heeft doen vallen op juist deze groep. Maar tevens noemt zij het een ernstig tekort van die school dat deze abnormaliteiten op zichzelf gesteld beschouwde, en dat het nauwe verband met maatschappelijke omstandigheden werd verwaarloosd82. Dit verschil in opvatting tussen de 'biologiese' en de 'ekonomiese' school is reeds voldoende aan de orde geweest, zodat er mee kan worden volstaan met er op te wijzen dat de overeenstemming berust op beider aanvaarding van de deterministiese beschouwingswijze. In een dergelijke beschouwing is straffen in de zin van leedtoevoeging niet langer te rechtvaardigen. Met 'straf' is hooguit nog een bescherming van de maatschappij te beogen (in het Frans: 'défence sociale'). De straf dient dan om de delinkwent te verbeteren ('resocialiseren'). Dit geeft aanleiding tot het treffen van maatregelen die vooral de belangen van de maatschappij dienen. Naast dat het de vraag is of deze belangen objectief te kennen zijn, bestaat er het probleem waarvoor door Kropotkin in 1877 al aandacht werd gevraagd. Deze stelde namelijk dat gevangenissen alle mogelijkheden in een mens doden waarover hij moet beschikken om een sociaal leven te leiden. Wat kan er dan gedaan worden om het gevangenissysteem te verbeteren?, vraagt hij. Niets! Een gevangenis kan niet verbeterd worden. Immers het principe van de gevangenis is verkeerd, omdat het mensen van hun vrijheid berooft. En zolang je een mens van zijn vrijheid beroofd houdt, zal het je niet lukken hem te verbeteren83. Dit betekent dat de 'Bijlmerbajes', de moderne gevangenis die niet zolang geleden in de omgeving van Amsterdam is geopend, hooguit een nieuwe, maar geen betere gevangenis is.
Blijft de vraag of verbetering en/of straffen van mensen vooral de belangen van de maatschappij moet dienen. Dit is voor een aantal strafrechtjuristen na de tweede wereldoorlog ook het probleem geweest. Deze groep ontwikkelde een richting in het strafrecht die zowel oog wilde hebben voor het maatschappelijk welzijn (de lijn van de défence sociale) als rekening wilde houden met de belangen van de delinkwent. De nieuwe ('nouvelle') benadering, waarbij ondermeer als eis van de straf wordt gesteld dat zij voor de delinkwent maatschappelijk zinvol is, werd onder de vlag van Défence sociale nouvelle voorgestaan. Een bekende pleitbezorger in Nederland van die richting is de Rotterdamse hoogleraar strafrecht, mr. L.H.C. Hulsman. De laatste is tevens een van de initiatiefnemers tot de oprichting van de Coornhert Liga (in 1971). Met de naam Coornhert (1522-1590) wordt verwezen naar een buitengewoon man met Erasmiaanse ideeën uit onze vaderlandse geschiedenis, die, door een onbemiddeld meisje te trouwen, een aanzienlijke huwelijksschat ontging en de openbare mening niet alleen trotseerde maar ook uitdaagde. Coornhert ontwierp bijvoorbeeld een ander ('menselijker') dan het toenmalige bestaande strafsysteem84.
De Coornhert Liga tracht zowel de openbare mening als de minister van justitie te bewerken, ondermeer door het uitgeven van een alternatieve justitiebegroting. Of daarmee de liga ideologies op een gelijke noemer is te brengen met het — mede door Clara Meijer-Wichmann opgerichte — Comité CMS is overigens de vraag. De mensen van het Comité hadden naar het zich laat aanzien een meer voldragen mens- en maatschappijopvatting (althans durfden daar nadrukkelijker voor uit te komen). Hun aandringen op afschaffing van straf kwam dan ook voort uit een opvatting, die hen tevens ondermeer dreef tot verzet tegen militarisme en ekonomiese uitbuiting. Tenslotte hadden bijvoorbeeld prakties alle oprichters in de gevangenis gezeten wegens militaire dienstweigering. Hun standpunt ten aanzien van de afschaffing van straf hield met andere woorden nauw verband met hun wens tot radikale demokratisering. Dit betekent in dit verband tenminste twee dingen. Zitten op het thema van de afschaffing van de straf, hoort in te houden een korrespondenderende opvatting ten aanzien van alle autoritaire verhoudingen. Want het laat zich denken dat ook autoritair ingestelde mensen zich kunnen permitteren tegen straffen te zijn vanwege de hoge technologiese perfeksie van de repressie van de staat. De staat moet immers – zeker met het oog op de toekomstige mogelijkheden – technies in staat worden geacht het openbare leven tot op grote hoogte te beheersen. De staat heeft dan van het openbare leven zelf een 'gevangenis' gemaakt85. In dit licht is het dus voldoende door alleen tegen 'straf' te zijn. Een tweede element is dat van het idee van de zelfhulp. Anarchisten hebben niet aflatend betoogd dat bevrijden zelfbevrijden hoort te zijn. Het opkomen voor gedetineerden – wat de Coornhert Liga doet – komt in die visie bovenal te bestaan uit het aanreiken door de 'hulpverlener' van instrumenten, waarmee de gedetineerden dan hun problemen kunnen aanpakken. Dit zit mede achter het werk van de Belangen-groep Wetsovertreders (BWO). Of de Coornhert Liga uitdrukkelijk een aanhanger van dit 'zelfhulp-model' is en al hetgeen wat daar ideologies bijhoort, valt te bezien. Dit neemt overigens niet weg dat de liga nu reeds goed werk doet, door zich het volgende doel te stellen:
a. optimale garanties voor de individuele grondrechten en vrijheden te verkrijgen voor hen die met 'justitie' in aanraking komen; b. de strafbaarstelling van gedrag en uitoefening van strafrechtelijke bevoegdheden te beperken tot gevallen en mate waarin de noodzaak daartoe naar rationele maatstaven aannemelijk kan worden gemaakt; c. preventie van strafbaar gedrag.
Met deze laatste doelstelling staan we, 100 jaar terug, naast Kropotkin, toen hij zijn Parijse gehoor toevertrouwde: 'Wat wij misdaad noemen zal bij onze kinderen een "sociale ziekte" heten. Preventie tegen deze ziekte is het beste van alle middelen86. En waar Kropotkin 'straf' verwierp, kon hij met preventie niet anders bedoelen dan de grondoorzaak van misdaad wegnemen: het kapitalistiese productiestelsel tot in het hart aantasten.
Het is deze gedachte die het denken van mensen uit libertaire kring beheerst. Romers (1893-1955), de arbeider en autodidakt uit de groep rond Clara Meijer-Wichmann en De Ligt, zou bijvoorbeeld formuleren dat de kapitalistiese maatschappij zich steeds duidelijker laat zien als de tot systeem verobjectiveerde misdadigheid, die omgekeerd allerlei vormen van (wettelijk toegelaten) individuele misdadigheid opwekt — en nodig heeft. Zonder misdaden 'loopt' deze maatschappij niet meer. Alleen binnen de sfeer van een klasseloze samenleving, aldus Romer, wordt de algehele opheffing van het strafrecht een mogelijkheid. Moet dit in absolute zin begrepen worden? Neen, want niet alle misdadigheid is uit de maatschappelijke structuur te verklaren. De wijze waarop op deze soorten van misdaad dan gereageerd wordt, zal afhangen van de gezindheid, de geestelijke volksgezondheid van de betrokken mensen87. Het enige, wat tegenover werkelijk gevaarlijke delinkwenten geboden is voor een gemeenschap, — het uiterste waartoe een anarcho-socialistiese samenleving zou kunnen komen —, is sympathiserende, doch met zekere dwangmaatregelen opgelegde verpleging, zoals dit reeds met krankzinnigen geschiedt88. Dat een dergelijke opvatting met de nodige reserves bekeken dient te worden, leert wel de hedendaagse praktijk van de dwangverpleging in binnen- en buitenland. Maar deze opvatting leert óók dat de libertaire denker Romers niet uitgaat van de veronderstelling dat in een andere maatschappij sprake zal zijn van een volstrekte afwezigheid van gedrag dat als ongewenst getypeerd zal worden, en waartegen tevens met dwang mag worden opgetreden. Geen moment mag evenwel uit het oog worden verloren dat de strijd tegen de toenmalige (1937!, maar ook in 1978 nog gehuldigde) opvattingen omtrent misdaad en vergelding, door Romers — en Clara Meijer-Wichmann — als een integrerend deel van de strijd voor vrij-socialisme ('anarchisme') en vrij denken wordt gezien89.
De taak van het socialisme ten opzichte van het strafrecht ziet Clara Meijer-Wichmann ruimer dan alleen te wijzen op klasse-justitie en economiese oorzaken van kriminaliteit. Een socialistiese strafrechtswetenschap heeft, en nu laten wij Clara Meijer-Wichman weer uitvoerig aan het woord90, bovendien: "1e. Een andere opvatting van de ontwikkelingsgeschiedenis van het strafrecht. 2e. Een andere opvatting van wat misdrijf is en wat niet. 3e. Een andere opvatting over de menselijke verantwoordelijkheid. 4e. Een andere opvatting over de rechtspraak. (Niet meer juristen.) 5e. Een andere opvatting over het op mensen inwerken ("strafstelsel") zoals wij straks zullen zien. Maar kent deze opvatting dan geen misdaden meer? – Ja zeker: 1e. Egoïstiese, onsociale daden, misdaden uit hartstocht, enz. 2e. Retrograde daden (ruwheid, barbarisme, terugvallen in vroegere kultuurstadia).
Wij komen hiermede tot de vraag: maar hoe dan op te treden tegen die vormen van misdrijf, die uit algemeen-menselijk oogpunt als zodanig moeten worden beschouwd (bv. verlating van hulpbehoevenden)? Daarbij dienen wij ons te herinneren, waarop wij hiervóór uitvoerig gewezen hebben, hoe zeer de straf nog onze gehele denkwijze beheerst: de opvatting dat men met iemand "moet afrekenen" ("net goed"), straf in de opvoeding, vergelding in internationale verhoudingen, enz. Wij hebben toen ook nagegaan, dat de vergeldingsstraf zedelijk niet te handhaven is en prakties ondoelmatig. Dat achter haar vaak wraakinstincten schuil gaan, die wellicht door eeuwenlange seleksie zo sterk in ons zijn. (Alleen wie zich verweerden, hebben zich in de oertijd gehandhaafd.) En gezien, hoe na en naast de vergeldingsstraf de doelstraf gekomen is, waarin het begrip "straf" als iets dat noodwendig op een misdaad volgen moet, al overwonnen is. Maar hierin blijft de bedreiging toch gehandhaafd als de methode om iemand op de rechte weg terug te brengen. Neen, eigenlijk niet als de methode, want zij erkent, dat voorkómen beter is; maar zij handhaaft toch nog in de praktijk de straf als een belangrijk deel van die methode. (Niet alleen is voorkomen beter dan genezen, maar zeker ook: genezen beter dan straffen.) Dit nu kunnen wij ons zeer goed ook nog in een socialistiese maatschappij denken, gelijk het er ook in het primitieve kommunisme is geweest, bv. bij vergrijpen tegen medemensen (uit drift, jaloezie, enz.) en bij ongehoorzaamheid aan voorschriften (bv. van arbeid). Maar ook t.a.v. het strafrecht zullen vele, "Omwentelingen in de toekomststaat", vele fasen, op elkaar volgen. De onvolledigheid en "achterlijkheid" van de doelstraf zal men echter ten slotte moeten inzien. 1e. Op zichzelf is door straf niets te handhaven. Zelfs het recht van onze tegenwoordige maatschappij wordt niet hoofdzakelijk door de strafbedreiging, maar door de traditie en de publieke opinie, gesteund. 2e. Strafbedreiging schept een sterke neiging tot ontduiking (cf. oorlogskriminaliteit; ook cf. verbod tegenover kinderen in de opvoeding). Zo lang de voorwaarden, de oorzaken — en deze zijn zowel uitwendige als inwendige —, niet zijn opgeheven, blijft de oude neiging tot misdrijf. Deze kan alleen indirekt voorkomen worden. De straf echter schept niets; de voorwaarden voor ontwikkeling in beter richting bederft zij. Want zij kortwiekt en knot. Over zijn slechte en zwakke neigingen moet de mens heenkomen door daarbovenuit te groeien, niet door zo te worden geknauwd dat hij er de moed niet meer toe heeft.
Misdaad is verkeerd geleide energie; energie die geen betere banen gevonden heeft. Zo goed als ook de straf verkeerd geleide energie is; de gemakkelijkste wijze om op iets te reageren, om zich te verweren. Maar niet alleen dat de straf geen goed schept, ze doet positief kwaad, doordat zij het innerlijk proces verhindert, dat op iedere daad volgt. De doelstraf heeft veel te veel nog de middelen van de vergeldingsstraf overgenomen. Geweld kweekt geweld, haat kweekt haat, uitsluiting kweekt "vredelozen", "bandieten". Zij verkeert nog in dezelfde sfeer, wat betreft de wijze van inwerking van de mens op elkaar. — Tegenover beide staat een ander beginsel: wanneer er "misdreven" is, dan moet de betrokken mens worden opgeheven, en opdat hij niet misdoe, moet hij eveneens worden opgeheven. Door straf, die altijd uiterst deprimerend werkt, en bedreiging met straf, die altijd op vrees — dus op het lagere in de mens — spekuleert, heeft men echter mensen niet op.
Nu denke men niet, dat de ware methode dan is de verbetering in de zin van de 19de eeuwse humane reklasseerders. Want ten eerste ziet deze verbetering dikwijls de sociale oorzaken van het gepleegde feit voorbij, is dikwijls min of meer puriteins en burgerlijk in één; 2e plaatst zich daarbij de niet-gevallen mens als de opheffende meerdere tegenover de verloren broeder (de "thuis-gebleven zoon" uit de gelijkenis). Wél zijn er natuurlijk verschillende enkelingen geweest die verre hierboven uitgegaan zijn en van-binnen-uit, vol begrijpen en vol takt, dit hebben gedaan. Maar dit kan de weg niet zijn. — Men geeft de afgedwaalde de middelen om zichzelf op te heffen. Daartoe is nodig een eerbiediging van de persoonlijkheid van de ander, een tijd van steeds meer zoeken van de aansporing tot goed in plaats van bedreiging met kwaad.
Men zal zeggen: maar zo kan het toch niet in de praktijk, en: zonder wettenrecht en sanksie daarop zou immers geen samenleving in stand kunnen blijven? Wat de tweede vraag betreft: zeker, geen samenleving die op dwang berust; waarin de ene mens werktuig en middel is voor de ander en dus "eronder moet worden gehouden". En omdat de latere maatschappijen zo waren, daarom kan men zich niet anders denken. — Ook de eerste vraag wordt gesteld, omdat in de praktijk de methoden van onderdrukking en bedreiging gewoon zijn. Zozeer gewoon, dat men de wegen nog niet kent waarlangs men volgens een andere methode gaan zou. Men denkt eenvoudig de oude methode weg, ziet een blank vlak overblijven — de chaos — en roept: zó kan het toch niet! Men vergeet dan, dat er in plaats van de onderdrukking en de bedreiging andere beginselen komen: de groei en het wederkerige vertrouwen, zoals men vergeet, dat men bij onmogelijkheid van viviseksie wel andere middelen zou vinden, bij onmogelijkheid om bepaalde klassen het laagste werk te laten doen, eveneens.
Dit anarchisme op strafrechtsgebied hebben we dus niet op te vatten als een passief laten-gaan: alsof we al wat nu aan banden en regelen vast zit, eenvoudig zouden moeten loslaten zonder meer. Dat zou losbandigheid worden in plaats van zelfbepalende vrijheid. Het betekent, dat in de plaats van de barbaren-methode (de heerser stelt vast wat strafbaar is en dwingt de onderworpene door vrees om zijn geboden op te volgen) treedt de verhouding (Fichte): de elkaar opheffende wisselwerking van de mens; die van de wil om elkander te begrijpen, én van de wil tot groei in plaats van tot verdrukking.
Het gaat hier om tweeërlei levensopvatting, die van de duisternis en de dwang tegenover die van het licht en de vrijheid en de mildheid. Zalig zijn de zachtmoedigen, want zij hebben een taak op aarde. Ook bij de doelstraf verhoudt zich de maatschappij nog alleen egoïst-verwerend tegenover de "misdadiger". Zij bedenkt meer moderne middelen om hem te behandelen, maar vraagt nog hoofdzakelijk hoe zij zichzelf het meest prakties beschermt, niet wat het best is voor de misdadiger. Die bescherming is op zichzelf niet kwaad, maar 't gaat hier alleen om "natuurlijke" bescherming. In hogere zin vereist de bescherming van de innerlijke goederen van een maatschappij ook onderlinge welgezindheid. Nu zal men voorlopig aldoor weer vragen: ja maar — is een samenleving mogelijk zonder straf? Niet alleen onze verkeerde samenleving, die uiteraard naar dwang en bedreiging grijpen moet, maar ook een betere? Zie, we hebben nu wel dit ingezien, dat er andere middelen zijn om op mensen in te werken dan de nu gebruikte. Maar een feit is, dat wij ze nog niet altijd weten te vinden. Dat is ons tekort. We leven allen, ook al zijn we daar theoreties overheen, nog in de oude wereld. Als we geen raad weten zonder straf, dan is dat dus onze fout, ons tekort. Laten we het eens zo zien in plaats van te zeggen dat de anderen er nog niet rijp voor zijn. Wie hiervan ernstig doordrongen is, zal in steeds meer gevallen ook de andere middelen vinden, gelijk dat ook bij een aantal opvoeders het geval is geweest.
Zo komen we tot de volgende slotsom: Het strafrecht moet niet zonder meer verdwijnen, maar het moet dezelfde weg afleggen die de opvoeding heeft afgelegd: het moet overgaan in een wetenschap van maatschappelijke pedagogiek. En de leer van de erfelijkheidsfactoren, én die van de milieufactoren, én die van de psychologiese factoren krijgen dan hun plaats. Hier ligt het opbouwende gedeelte van het werk van hen, die de mensheid van het spook van de straf willen verlossen, en die menen, dat ook het socialisme bij het te boven komen van het strafbeginsel een taak heeft."
Dat hierin een samenvatting te lezen is van het geen Clara Meijer-Wichmann konsekwent heeft doordacht over strafrecht, kunnen wij uit haar kommentaar op Het Russiese huwelijks- en familierecht91 opmaken. Daarin zegt ze dat een rechtsopvatting ontwikkeld kan worden die niet bijvoorbeeld voor anarchisten verwerpelijk hoeft te zijn. Los daarvan staat de aktualiteit van het onderwerp. Het traditionele ('juridiese') huwelijk lijkt zijn laatste stutten langzaam maar zeker kwijt te raken. Bovendien is er sprake van een crisis van het traditionele gezin, zodanig dat de buitenhuwelijkse relatie meer en meer de aandacht van het recht gaat opvragen92. Daar wordt hier niet op ingegaan. Wel wordt tot slot een poging gewaagd een aanzet tot een voor anarchisten aanvaardbare rechtsopvatting te formuleren, die daar mee in verband is te brengen.
Onomstotelijk staat vast dat anarchisten 'het recht' in het verleden hebben verworpen93. Wat zij daaronder verstonden was het (staats- en) strafrecht dat de private eigendom beschermde (en nog beschermt). Daarmee was de bestaande, kapitalistiese orde gedoodverfd voor anarchisten. De laatsten zouden een anarchistiese orde in het leven willen roepen. Tenzij die orde zich alleen als droombeeld voordoet, kan niet anders dan erkend worden dat tenminste drie typen beslissingen genomen moeten worden in zo'n orde, te weten:
- beslissingen omtrent wat noodzakelijk geproduceerd moet worden;
- beslissingen omtrent coördinatieproblemen (waaronder ook 'prioriteitstelling') in de productie;
- beslissingen omtrent de verdeling in de consumptieve sector.
Het is uitgesloten dit proces van beslissingen zonder voorafgemaakte afspraken enigszins redelijk te laten verlopen. Ook al noemen anarchisten de afspraken omtrent genoemde beslissingen 'overeenkomsten' en geen wetten (want die verwierpen zij), ontegenzeggelijk hebben we hier met recht te maken. De werking van dit recht stoelt ondermeer op de rechtsnorm, dat gemaakte afspraken dienen te worden nagekomen. Hieruit blijkt dat anarchisten niet tegen alle vormen van recht zijn. En men kan nog een stap verder gaan: anarchisten hoeven niet tegen elke vorm van wetgeving te zijn.
Drie aanvaardbare vormen van wetgeving kunnen zijn:
- Het vastleggen van zuiver procedurele en administratieve afspraken. Recht is hier dan vooral begrepen als beveiliging tegen willekeur, onterechte machtsuitoefening. Onder die beveiligingen vallen bijvoorbeeld positieroulatie en terugroepingsrecht door kiezers.
- De formulering van 'techniese normen'; bijvoorbeeld dat met een auto niet harder dan 50 km./p.u. door stedelijke gebieden gereden mag worden.
- De verwoording van de doorgang tussen 'burgerlijk' en 'socialisties' recht.
Met name bij de laatste groep gaat het om wetten die de weg naar socialisme effenen en verkorten. Deze laatste vorm doet zich voor in 'overgangssituaties', maar kan zich — indien de druk van de arbeidersklasse groot genoeg is — ook momenteel voordoen. Ongetwijfeld dient het concessie-karakter van wetgeving in die situatie niet over het hoofd te worden gezien. Bovendien mag niet uit het oog worden verloren dat een ogenschijnlijke overwinning op de bourgeoisie (die een concessie doet) kontra-revolutionair van karakter kan zijn. Wij denken hier ondermeer aan de regeling van het stakingsrecht. Staken is een zo eigen strijdmiddel van de arbeidersklasse dat het zich niet leent voor regeling volgens 'burgerlijk' recht. Dit neemt evenwel niet weg dat in andere sectoren van het maatschappelijk leven een 'links recht' — dat als 'voertuig' op wat Clara Meijer-Wichmann 'levend recht' noemt en wat bij Kropotkin 'gewoonterecht' heet. De gewoontescheppende kracht van wetgeving mag uiteraard niet met strafrechtelijke sanksies worden afgedwongen (voorzover iets dergelijks mogelijk zou zijn), omdat dan het onderscheid tussen 'burgerlijk' en 'overgangs-'recht verloren is gegaan. Deze vorm van wetgeving doet zich niet dwingend of verbiedend maar juist toestaand voor. Samengevat dienen anarchisten, zeker gezien vanuit de bestaande maatschappelijke situatie, hun vooroordeel met betrekking tot wetgeving los te laten, indien het om de volgende aspecten gaat:
- innovatie aspect; concentratie ligt op het toestaan, ruimbaan geven; afgezien is van dwang;
- beschermings- of beveiligingsaspect; concentratie op administratieve en procedurele bescherming;
- funksioneel aspect; concentratie ligt op het ernst maken met de eis zichzelf zo snel mogelijk overbodig maken; als de innovatiefunksie heeft gewerkt en een gewoonte is ontstaan, dan is die wet overbodig geworden.
Een vorm van wetgeving waarin deze drie aspecten worden uitgewerkt, schaft – in tijden van sociale revolutie – oude dwang af en schept geen nieuwe dwang. Een verdediging van deze vorm is bij Clara Meijer-Wichmann te vinden, waar zij het huwelijksrecht in de Sovjet Unie van even na de Russiese revolutie bespreekt.
Het tableau dat met bovengenoemde elementen uit het werk van Clara Meijer-Wichmann is geschilderd, leent zich voor de herziening van het traditionele beeld dat bestaat omtrent de verhouding anarchisme en recht.
Thom Holterman
---
