Tegen de bestaande opvattingen omtrent Misdaad en straf
WAAROM WORDT ER GESTRAFT?
De meesten geven zich niet eens rekenschap van die vraag; voor hen spreekt het vanzelf, dat er gevangenissen zijn, celgevangenissen, waarin zij die de strafwetten van deze maatschappij hebben overtreden voor weken of voor maanden of ook wel voor jaren worden opgesloten. Zij wandelen langs die gevangenissen, en het bestaan ervan deert hen niet.
Anderen, die zich die vraag wel eens gesteld hebben, vinden ze gemakkelijk op te lossen. Het rechtsbewustzijn, zeggen zij, vraagt vergelding voor gedaan onrecht. Of wel zij stellen het belang der maatschappij op de voorgrond en oordelen, dat deze zichzelf tegen inbreuken op haar orde moet beveiligen door van de misdaad af te schrikken, door de misdadiger, als het kan, te verbeteren, en, als dat naar hun mening niet kan, onschadelijk te maken.
Zij die zo redeneren vooronderstellen, dat hij, die de bestaande strafwetten overtreedt, een slecht mens is, zoiets als een aanrander van de zedelijke wereldorde, en deze maatschappij, waarvan de meerderheid hem veroordeelt, een ware menselijke samenleving. En daarnaast gaan zij ervan uit, als sprak het vanzelf, dat leed-aandoen en uitstoten de aangewezen daden tegenover "misdadigers" zijn.
Dit alles achten wij uit de grond van ons hart verkeerd en noodlottig: een heilloze waanvoorstelling, die mensonwaardige verhoudingen in het leven doet blijven.
Het is al dadelijk niet waar, dat ons hedendaags recht het recht is; het beschermt immers de bezittende klassen, het sanctioneert de bestaande eigendomsverhoudingen, als waren die het handhaven tot elke prijs waard.
Zelfbegoocheling ligt ook in de voorstelling, die de onveroordeelden zich van de veroordeelden vormen. 't Is wel gemakkelijk om te denken, dat de meeste onveroordeelden minderwaardigen zijn, en de meeste onveroordeelden mensen van een beter soort; maar waarlijk, zo eenvoudig is het niet. En nu onderschatten wij volstrekt niet de betekenis van de persoonlijke aanleg, wij zeggen volstrekt niet dat het alleen door de omstandigheden afhangt waartoe een mens komt; maar wij zien aanleg en omstandigheden aldoor op elkaar inwerken, in gestadige wisselwerking verkeren. Bedenkt toch, wie opgroeit als verwaarloosd kind en onder een voortdurend tekort aan al wat het leven waard maakt geleefd te worden, een andere persoonlijkheid wordt en tot andere daden komt, dan wie met dezelfde aanleg onder heel andere omstandigheden leeft. Bedenkt toch, dat in alle landen het overgrote deel aller veroordeelden, zelfs in verhouding tot hun aandeel in de bevolking, behoort tot de niet-bezittende klassen! Als misdrijf alleen voortkwam uit gebrek aan sociale gevoelens, uit gebrek aan zelfbeheersing, uit "de boosheid des hartens", zou dat dan ook het geval zijn? Komen onevenwichtigen, zich-niet-beheersenden, niet voor onder hen, die nooit voor de strafrechter komen? En is niet ten alle tijde gebleken, dat de criminaliteit daalt en rijst met de maatschappelijke nood; dat zij in tijden van crisis, zoals in de dertiger jaren, onweerstaanbaar toeneemt, door geen strafbepalingen te keren? Weten wij niet sinds lang dat er regelmaat, ja wetmatigheid is in het aantal misdaden en zelfmoorden dat jaarlijks voorkomt, dat men hier dus niet met willekeurige daden van op-zich-zelf-staande individuen te maken heeft?
Nogmaals: wij ontkennen niet dat het van iemands aanleg afhangt, of hij slachtoffer van die omstandigheden wordt of niet; wij ontkennen niet het vermogen van de zelfbepalende persoonlijkheid, om zich door géén omstandigheden te laten buigen; maar wel ontzeggen wij aan hen, die zelve niets van die ellende hebben doorgemaakt, het recht, om koud en hard de hoogste zedelijke eisen te stellen aan de tekort gekomenen. -En sterker dan dat: wij menen dat die hoogste zedelijke eisen, stelt men ze wel, lang niet altijd zullen leiden tot eerbiediging der bestaande wetten, die de militaire dienstweigering en sommige vormen van staking hebben strafbaar gesteld: wij geloven integendeel dat die eisen dikwijls zullen verlangen verzet tegen die wetten zelf! Een maatschappij, die vrijwel op de strijd van allen tegen allen is gegrond, die de mensen opvoedt in de gedachte, dat men het recht heeft zich ten koste van anderen te verrijken en bevoordelen, en waarin aan de meerderheid de voorwaarden voor hun normale groei worden onthouden, zulk een maatschappij schept vanzelf de persoonlijke en maatschappelijke oorzaken, waaruit aldoor opnieuw misdaad ontstaat. De persoonlijke, omdat zij (door ondervoeding, alcohol, woningellende) degeneratie schept; omdat zij telkens de onterfden er toe brengt, om, in een dikwijls onbewust verzet, te nemen langs onwettige weg wat hun langs de wettige wordt onthouden. Terwijl zij tenslotte ook schept de principiële bestrijders van deze hele "orde", hen die zich tegen het gehele beginsel van het tegenwoordige politiek-economisch stelsel richten.
Recht tot straffen heeft dus zeker niet deze maatschappij, waarin een tekort is aan ontwikkelingsvoorwaarden voor de normalen en aan liefdevolle verzorging van de abnormalen.
Wat de meerderheid van haar leden tegenover misdadigers toepast, is egoïstisch zelfverweer, al gaat het in hun bewustzijn schuil onder allerlei leuzen, als handhaving van de orde en van het recht. Om allerlei lagere belangen meent men het niet te kunnen toelaten, dat er gestolen of ingebroken wordt; daarom straft men het maar. En dit ingrijpen in het leven van medemensen, dit opsluiten voor maanden, om de eigendom van wat stoffelijke goederen te beschermen, dit alles vindt men heel eenvoudig.
Om zulke gevallen gaat het merendeel onzer strafvervolgingen; door schuldigen aan zulke feiten wordt de meerderheid onzer gevangenisbevolking gevormd!
Maar er zijn andere feiten: misdaden uit ruwheid wreedheid, winzucht, vooral van bezittenden tegenover niet-bezittenden, sexuele misdaden, moorden, lichte en zware mishandelingen. Velen zullen menen dat daartegenover, dat overal waar men met werkelijke misdaden — of juister met werkelijke misdadigers of die ons zo toeschijnente maken heeft, de straf toch in elk geval wél gerechtvaardigd is. Nee, het brute van de straf ligt niet alleen daarin, dat een maatschappelijke orde, die zelf aldoor de voorwaarden voor misdaad schept, die zelf (in de vorm van oorlog en economische uitbuiting) aldoor de misdaad in het groot sanctioneert, hen bedreigt en straft, die haar belangen aanranden. Het brute ligt ook in de wijze waarop de maatschappij zelf hierop reageert.
Denken we nu aan misdadigers, die werkelijk verbetering zouden behoeven. Wat doet de straf dan tegenover hen?
De straf drukt ze neer, vernedert ze, ontneemt hun het laatste restje weerstandsvermogen. Zij worden, van het begin van het strafproces af, gesteld tegenover de maatschappij, als vijanden beschouwd, uitgestoten, terwijl zij, (ook juist de gedegenereerden onder hen) meer dan anderen eenzamen zijn en meer dan anderen begrijpen zouden behoeven. Door dit alles wordt de innerlijke ontwikkeling, die op iedere daad, ook op iedere wandaad, volgt, afgebroken; de beklaagde zet zich schrap tegen zijn aanklagers, en zijn innerlijk genezingsproces wordt verstoord. In wezen wordt nog heden ten dage de misdadiger niet als een MENS bejegend, maar als een zaak behandeld en afgedaan, opgeborgen. Al wat de naam van menselijk verdient wordt hem in de gevangenis ontzegd; hij wordt er alleen in leven gehouden. Hij heeft er niet eens de mogelijkheid om zijn betere voornemens om te zetten in de daad; en daarom is verbetering van de misdadiger door de gevangenis onmogelijk. De gevangenis kan niet verbeteren.
Kan zij afschrikken? Weinig. Rijzing en daling van de criminaliteit worden in hoofdzaak door hele andere oorzaken bepaald dan door de inwerking van de straf; dat is toch waarlijk in de cijfers uit het verleden verwerkt; dat blijkt ook bij voortduring uit het groot aantal recidivisten. Maar bovenal is dat hele afschrikkingsbeginsel onzedelijk, omdat het mensen alleen als middel beschouwt.
Onschadelijk maken dan? De term reeds is onwaardig. En het resultaat van dit poging is, dat velen de gevangenis "schadelijker" verlaten dan zij haar betraden. Dit is juist het barbaarste en achterlijkste: dat het hele strafbegrip negatief is. Wek in mensen het goede op, doe wat gege kunt om ze sterk te maken, om alle positieve en opbouwende vermogens in ze te doen groeien; maar ga niet uit van de bedoeling ze "onschadelijk" te maken. En voor zover er dan onder de misdadigers enkelen zijn, "onverbeterlijken", in wie niets goeds op te wekken schijnt, die in hun hele wezen beneden-menselijk lijken, slachtoffers van degeneratie - beschouwe en behandele men die als zieken, en denke er evenmin aan hen te straffen als men tegenwoordig meer krankzinnigen straft.
Maar sterker dan al deze "doeleinden" die men met de straf wil bereiken, leeft nog in de mensen het oude vergeldingsbeginsel, waarin de wraak is schuil gegaan. Dat roept erom, hem die leed deed, ook leed te laten lijden, dat verlangt alles "betaald te zetten", alles te "verrekenen". Het ei genlijke strafrecht is maar één van de uitingen daarvan; we vinden het op alle terreinen van persoonlijk en maatschappelijk leven terug. Juist dit primitieve, in wraak-instincten wortelend beginsel, is het dat moet worden omgewenteld.
En zo richten wij ons niet alleen tegen de uitwassen van het celstelsel, nog tegen het celstelsel zelf - van welks "ongeoorloofdheid" en "ongewenstheid" we diep overtuigd zijn - noch zelfs tegen ons tegenwoordig strafstelsel in zijn geheel - wij richten ons tegen het hele strafBEGRIP zelf. Zo behoort de verhouding van mens tot mens niet te zijn, zo behoren mensen niet tegenover elkaar te staan. Tegenover die oude, overoude, uit het begintijdperk van het mensdom daterende leer, dat kwaad vergolden moet worden met kwaad, en dat wie kwaad doet moet worden neergedrukt en vernederd, stellen wij een ander levensbeginsel: Oordeel niet. Vergeld niet. Straf niet. Beloon niet. Maar tracht te scheppen met alle kracht die in u is een wezenlijk-menselijke samenleving, waarin de voorwaarden voor groei en ontwikkeling voor ieder mens gegeven zijn; en tracht, in u zelf en anderen, het kwade te overwinnen door het goede. Alleen indirect kan de misdaad bestreden worden; niet door krachten te vernietigen, maar door krachten te wekken door, wat vernielend begon, in opbouw om te zetten.
En omdat de hervormingen, die tegenwoordig in het strafrecht worden aangebracht, nog niet van dit beginsel uitgaan, daarom voldoen zij ons niet.
Zeker was het een verbetering, toen men de Kinderwetten invoerde en de voorwaardelijke veroordeling; zeker zal het een verbetering zijn, wanneer men de gevangenen eindelijk goed zal gaan voeden en verzorgen, wanneer men al het mogelijke zal doen om hun weerstandsvermogen te verhogen, in plaats van hen moe en versuft de gevangenis te doen verlaten; wanneer men met het celstelsel breken zal; wanneer het publiek de ontslagen veroordeelden op menswaardige wijze tegemoet treedt. Maar door al deze verbeteringen binnen het kader van de huidige maatschappij en van het strafrecht — en daarbinnen zijn ze niet eens alle mogelijk — wordt de bron van de massale misdaad niet verstopt, en het oude beginsel van straf wordt er niet door aangetast.
Wij daarentegen komen niet tot U, onveroordeelden, om uw medelijden op te roepen met de gevangenen en enkele schamele verbeteringen te verzoeken in de wijze, waarop gij duldt dat zij, uw medemensen, behandeld worden. Wij richten ons tot U, onveroordeelden en veroordeelden, met een beroep op uw volle menselijke waardigheid. Onveroordeelden, herziet uw maatschappij en uw strafbegrip; beklaagden, veroordeelden, ontslagenen, voelt u mens.
Wij vragen bovenal hierom: laat men toch verandering, "verbetering" van gezindheid, niet alleen verlangen van de misdadigers. Van wat voor een gezindheid geeft onze verhouding tegenover hen blij: Is hier enige offervaardigheid, enig broederschapsgevoel? Het kon alles zo anders zijn. In een werkelijke Gemeenschap zou er bereidwilligheid zijn, om elkanders tekortkomingen te boven komen; we zouden daarvoor menig onmiddellijk "belang" vanzelfsprekend ten offer brengen; we zouden elkaar wederkerig begrijpen en tot steun zijn. We zouden niet zoals nu, aldoor letten op de bedreigde "rechtsgoederen", maar op de mens, die met zichzelf te strijden heeft — we zouden weten dat het telkens ons aller tekort was, wanneer één onzer in die strijd bezweek.
En daarom - al zullen wij ons verheugen over iedere, mits werkelijke, verbetering, die op het ogenblik in het strafrecht en strafstelsel wordt aangebracht, - ons streven gaat verder: wij komen radicale omzetting vragen, geen gedeeltelijke verbeteringen; wij zien een ander beginsel in de verte dagen: dat van een nieuwe tijd, van een broederlijke mensheid, die al meer met het strafbeginsel breken zal.
